Onze website gebruikt cookies om je surfervaring te verbeteren. Om deze website optimaal te gebruiken vragen we je om akkoord te gaan met ons gebruik van cookies.

Ik ga akkoord liever niet.

Liberalisme en Vlaamse Beweging

In 1968 gebruikt de Vlaams-nationalistische partij Volksunie in haar campagne de slogan PVV Pest Voor Vlaanderen. Anderzijds zijn waarnemers het er ook meestal over eens dat het tweede Burgermanifest van Guy Verhofstadt een Vlaamsgezinde ondertoon heeft. In één adem voegen diezelfde opiniemakers er meestal bij dat, achteraf beschouwd, de daden niet zijn gevolgd. Het zijn slechts enkele voorbeelden die duidelijk maken hoe het liberalisme in Vlaanderen (en bij uitbreiding België) zich steeds op een vrij dubbelzinnige houding heeft opgesteld tegenover Vlaamsgezinde eisen.

Op het ogenblik van het liberale stichtingscongres in 1846 geldt de toenmalige Vlaamse Beweging als apolitiek. Ze wordt bezield door figuren uit de culturele en literaire wereld. Heel wat onder hen tonen zich liberaal in hun denken. De stap naar het politieke liberalisme ligt echter niet zomaar voor de hand.

In de Liberale Partij is er een overwicht van een Franstalige elite (die niet enkel de Franse cultuur maar ook Frankrijk als internationale machtsfactor genegen is) met een sterke antiklerikale inslag. Het zwaartepunt van de liberale ideologie bevindt zich in de steden en in het Franstalige landsgedeelte. Dit liberale publiek is ervan overtuigd dat blijvende verfransing van Vlaanderen borg staat voor een verdere verspreiding van liberale ideeën en de verlichtingswaarden. Het behoud van de Franse taal is volgens hen verantwoord om de strijd aan te gaan met de katholieke dominantie in het Nederlandstalige landsgedeelte. Een groep Vlaamsgezinde liberalen denkt precies het omgekeerde. Volgens hen is het gebruik van de eigen taal net een argument om in de Nederlandstalige regio sympathie te winnen voor het liberalisme en zo het katholieke overwicht te bestrijden.

Binnen de Liberale Partij staan deze Vlaamsgezinde liberalen lange tijd tegenover een alliantie van Waals liberalisme, francofoon Brussels liberalisme en franskiljonse liberale associaties in de grote Vlaamse steden, al dan niet versterkt door vertegenwoordigers van Waalse ambtenarenkringen. Dit is zo in de negentiende eeuw maar blijft in zekere zin zelfs doorwerken tot eind jaren 1960. De organisatie van de Liberale Partij, gebouwd rond associaties, maakt het voor de - numeriek niet zo sterke - Vlaamsgezinde liberalen moeilijk om het idee veld te laten winnen dat de emancipatie van Vlaanderen alleen mogelijk is via de volkstaal.

Julius Vuylsteke.

Klauwaard en Geus

In de jaren 1860, twee decennia na het eerste liberale congres, ontstaan er in de belangrijkste Vlaamse steden liberale Vlaamsgezinde verenigingen met duidelijk partijpolitieke ambities. Dit is het geval in Antwerpen (Antwerpsche Liberale Bond, 1866), Gent (Vlaamsche Liberale Vereniging, 1867), Brussel (Vlamingen Vooruit, 1861; De Veldbloem, 1869) en later ook in Brugge (Liberale Vlaamsche Bond, 1877). Deze organisaties hechten veel belang aan een toegankelijke en vlot leesbare pers. Liberale Nederlandstalige bladen komen er in die periode in Antwerpen (De Koophandel, 1863), in Gent (Het Volksbelang, 1867), in Brussel (De Zweep, 1869) en Brugge (De Brugsche Beiaard, 1881). Het succes wordt bepaald door de aanwezigheid van sterke figuren. In Gent is er bijvoorbeeld Julius Vuylsteke die Vlaamsgezindheid en vrijzinnigheid met elkaar verbindt (gesymboliseerd in de leuze ‘Klauwaard en Geus’). Hij wenst de Liberale Partij te winnen voor de Vlaamse zaak én Vlaanderen te winnen voor het liberalisme.

In 1878 behalen de liberalen een kiesoverwinning met een homogeen liberale regering tot gevolg. Dankzij deze overmacht kunnen Vlaamsgezinde liberalen ook op nationaal niveau een rol spelen. Een belangrijk aandachtspunt is de gedeeltelijke vernederlandsing van het officieel middelbaar onderwijs (wet De Vigne-Coremans, 1883). Dan wordt echter nog maar eens duidelijk dat de groep van de liberale Vlaamsgezinden vele tinten bevat. De Gentse ‘opportunistische’ strekking (Julius De Vigne, Julius Vuylsteke, Jacob Heremans) toont zich gematigder dan de ‘radicale’, vooral te vinden in Antwerpen (Max Rooses) en Brussel (Charles Buls).

De wetgevende verkiezingen in de zomer van 1884 duwen de Liberale Partij zwaar in het verlies. De nederlaag zet de Vlaamsgezinden aan om de krachten te bundelen in een Verbond van Vlaamsche Liberale Vereenigingen (1885). Door de (terugkerende en kenmerkende) interne strubbelingen komt de organisatie nooit echt van de grond. De Vlaamsgezinden binnen de Liberale Partij krijgen het eens te meer zwaar te verduren. Bovendien komt het in 1887 tot een openlijke breuk tussen de meer conservatieve en de eerder progressieve stromingen binnen de liberale strekking. Vooraanstaande Vlaamsgezinde liberalen verbergen hun sympathie niet voor de progressisten en zien voordelen in de combinatie van progressief liberalisme en Vlaamsgezindheid.

Liberale Vlaamse Bond (Antwerpen).

Verbreding van het Vlaamsgezind liberalisme

Het invoeren van de evenredige vertegenwoordiging (wetgevende verkiezingen 27 mei 1900) geeft de Vlaamsgezinden binnen de partij ruimte. De oudere kopstukken Julius De Vigne, Jan Van Rijswijck en Julius Sabbe (overleden in respectievelijk 1908, 1906 en 1910) krijgen ondersteuning van figuren als Louis Franck, Leo Augusteyns, Adolphe Buyl, Arthur Buysse, Hippolyte Lippens, Jan Persoons, Victor Van de Walle, Paul Lamborelle, Leon Termote en Jaak Verheyen. Een snel groeiende middenklasse verenigt zich in liberale verenigingen. Het komt tot een grote bloei met verenigingen als de Liberale Volksbond (1907) in Gent, de Vlaamsch-Liberale Bond (1909) in Brussel, en de Liberale Volkspartij (1904), Help U Zelve (1904) en Liberale Vlaamsche Bond (1909) in Antwerpen. Sterke intellectuelen (Paul Fredericq in Gent, Max Rooses in Antwerpen, Julius Hoste sr. in Brussel) vormen een meerwaarde. De groeiende werking van liberale ziekenfondsen, vakbonden en pensioenkassen (sterk uitgebouwd in bijvoorbeeld Antwerpen) zorgt voor een bredere basis.

Op basis van een democratischer, sociaal en Vlaamsgezind programma komen er in 1912 en 1913 belangrijke overkoepelende bijeenkomsten, onder de benaming Liberaal Congres der Vlaamse Gewesten (ongeveer vijfhonderd afgevaardigden van circa honderd liberale verenigingen uit alle Vlaamse provincies). Als gevolg hiervan ontstaat, nog in 1913, het Liberaal Vlaams Verbond (LVV). Ondanks deze mobilisatie blijft de Franstalige elite (o.a. Paul Hymans, Albert Devèze, Paul-Emile Janson) de Liberale Partij beheersen en sluit ze de deuren voor de verzuchtingen van de Vlaamsgezinden. Een uitzondering hierop vormt de Antwerpse liberaal Louis Franck, die na zijn verkiezing tot volksvertegenwoordiger in 1906 en door zijn inzet in de Hogeschoolcommissie uitgroeit tot een boegbeeld van het Vlaamsgezinde liberalisme. De Eerste Wereldoorlog maakt echter een einde aan dat groeiend democratisch Vlaamsgezind liberalisme.

Angst voor de scheuring

Op het congres van de Liberale Partij van 16 tot 18 oktober 1920 krijgt de taalkwestie aandacht en wordt er zelfs erkend dat de Vlamingen in Vlaanderen recht hebben op onderwijs, rechtspraak en bestuur in de eigen taal. Maar er valt weinig daadkracht te bespeuren om deze ideeën in de praktijk om te zetten. De bloei van het Vlaamsgezinde liberalisme van voor de Eerste Wereldoorlog is binnen de Liberale Partij een krachtig halt toegeroepen. De plaatselijke associaties houden onder druk van de Franstaligen in Vlaanderen de boot af. In 1921 komen in Gent en Brussel bij de verkiezingen aparte Vlaamsgezinde liberale scheurlijsten op. De groep zet zich af tegenover zowel het Franstalige karakter als tegen de conservatieve mentaliteit van de moederpartij, zonder succes. In 1925-1926 mislukt een gelijkaardig initiatief van Arthur Vanderpoorten (voorzitter LVV) eveneens.

Het Vlaamse Minimumprogramma (zoals gepromoot door o.a. Julius Hoste jr. en de katholiek Frans Van Cauwelaert) kan bij de liberalen op weinig sympathie rekenen en de partij vervreemdt in de jaren 1920 van het kiespubliek in Vlaanderen. Bij de verkiezingen van 1929, 1936 en 1939 komen de liberalen in de schaduw te staan van de Vlaams-Nationalisten. De Liberale Partij stelt zich tijdens het interbellum op als de meest hevige bestrijder van alle Vlaamsgezinde ideeën en voorstellen. De invloed van de sterke Brusselse federatie en van mensen als Paul Hymans, Albert Devèze, Adolphe Max en Paul-Emile Janson weegt (nog altijd) zwaar door.

De vernederlandsing van de Gentse universiteit (1930) leidt tot een kleine koerswending. Pressiegroepen zoals het Willemsfonds en het Liberaal Vlaams Verbond betekenen echter weinig binnen de Liberale Partij. Een tegemoetkoming aan een veranderende realiteit komt er met de benoeming van Julius Hoste jr. als minister van Onderwijs (1936 en 1938) en Arthur Vanderpoorten als minister van Openbare Werken (1939) en van Binnenlandse Zaken (1940).

Naoorlogse behoedzaamheid

Tijdens de Tweede Wereldoorlog kiezen de Vlaamsgezinde liberalen voor de eenheid en zetten zich af tegen collaboratie met de bezetter. Na de oorlog is er zeker geen sprake van vernieuwing of verandering. De liberalen zoeken naar overeenstemming, willen meewerken aan het beleid en vormen afwisselend met katholieken en socialisten regeringen. De Franstaligen in het algemeen en de Brusselaars in het bijzonder blijven de partij domineren. De krachtige figuren die voor de oorlog een Vlaams tegengewicht boden, waren tijdens de oorlog gestorven (Arthur Vanderpoorten) of waren geïsoleerd (Julius Hoste jr.). Victor Sabbe, op dat moment voorzitter van het LVV, heeft een beperkte achterban en wordt niet gehoord binnen de Liberale Partij. Een Waals Nationaal Congres (20 en 21 oktober 1945) in Luik eindigt met de vraag naar meer autonomie voor het Franstalige landsgedeelte. Het communautaire vraagstuk komt dus merkwaardig genoeg vanuit eerder onverwachte hoek op de agenda van de Liberale Partij. De Koningskwestie onderstreept intussen verder pijnlijk het verschil tussen de verschillende landsgedeelten. De Liberale Partij weet zich in deze zaak moeilijk een houding aan te meten en geeft geen stemadvies.

Liberale Partij parlementsverkiezingen 26 juni 1949.

Na een vergeefse eerste en voorzichtige poging om de partij meer regionaal te organiseren, is er op het congres van de Liberale Partij van 28 en 29 april 1951 toch aandacht voor ‘gewestelijke vraagstukken’. De liberalen erkennen het bestaan van twee grote volksgemeenschappen in België (de Vlaamse en de Waalse gemeenschap), op hun beurt ingedeeld in drie entiteiten (Vlaanderen, Wallonië en Brussel). Zij hebben elk hun eigen grieven en daarom moet er volgens de Liberale Partij naar een oplossing worden gezocht. Bij de aanpak van deze kwestie houdt de partij ook rekening met een niet onbelangrijk element: de vaststelling dat bij een eventuele opsplitsing van het land, de liberalen dreigen te verstikken onder een katholieke (Vlaanderen) of een socialistische (Wallonië) vloedgolf. Het leidt niet meteen tot concrete actie.

PVV-PLP parlementsverkiezingen 23 mei 1965.

Van unitarisme naar splitsing

In de jaren 1960 komen de communautaire thema’s volop op de agenda, mede onder druk van de Vlaams-nationalistische Volksunie. Voorzitter Omer Vanaudenhove geeft met de oprichting van de PVV/PLP tegengas en trekt volop de unitaire kaart. De maatschappelijke evoluties kunnen evenwel niet worden ontkend. In 1972 splitst de partij in een Vlaamse en een Franstalige partij. Economische en fiscale thema’s blijven prioritair. De liberalen laten zich niet verstikken in de strijd rond het Egmontpact en komen in de jaren 1980 in de regering. In crisistijd schuift de PVV de communautaire kwesties opzij en zet in op het herstel van de economie. De partij belandt in de oppositie, wat de aanleiding vormt om nieuwe wegen te verkennen.

De terugkerende slinger

Op het congres van 12 tot 15 november 1992 lanceert Guy Verhofstadt de VLD, Vlaamse Liberalen en Democraten. Het is meteen de eerste partij in het Belgische politieke landschap die bij een naamsverandering het woord ‘Vlaamse’ opneemt. Als verruimingskandidaten duiken een aantal gewezen Volksunie-mensen op: Jaak Gabriëls, Bart Somers en Hugo Coveliers. In datzelfde jaar publiceert Verhofstadt het boek De weg naar politieke vernieuwing. In dit zogenaamde tweede Burgermanifest bepleit de liberale voorman een radicaler federalisme dan hij of de liberale partij ooit tevoren liet zien. Hij opent het hoofdstuk ‘Denkend aan Vlaanderen’ (dat uitdrukkelijk het communautaire thema behandelt) met de zin: ‘België is op sterven na dood. België moet een federale staat worden, waarin onder andere financiële en fiscale verantwoordelijkheid mogelijk is.’ De strijd voor de Vlaamse zaak is bij Verhofstadt toch vooral een rationele en strategische keuze. De VLD geeft geen steun aan de Sint-Michielsakkoorden (1993), vooral uit verzet tegen de regering-Dehaene I.

VLD Stichtingscongres De Weg naar de politieke vernieuwing, 1992. Guy Verhofstadt, Jaak Gabriëls, Patrick Dewael en André Geens.

In de regering-Dehaene II (gevormd na de verkiezingen van 21 mei 1995) belandt de VLD opnieuw in de oppositie. Halfweg de jaren 1990 wordt Guy Verhofstadt als partijvoorzitter opgevolgd door Herman De Croo. De Croo heeft zich altijd een koele minnaar getoond van de instroom van de Vlaams-nationalisten. De liberale partij verschuift de aandacht weer naar klassieke liberale thema’s zoals onderwijs en ethische thema’s. Daarnaast handelt de VLD pragmatisch genoeg om op het Vlaamse niveau haar steentje bij te dragen tot de verdere uitbouw van de instellingen. Zo dient Karel De Gucht bij de eerste rechtstreekse verkiezing van de Vlaams Parlementsleden het voorstel in om de Vlaamse Raad in naam om te vormen tot Vlaams Parlement. In 1997 keert Verhofstadt, na twee jaar De Croo, terug als voorzitter en maakt weer plaats voor het communautaire thema, met o.a. de publicatie van het boek De Belgische ziekte (1997).

Bij de federale verkiezingen van 1999 haalt de VLD meer stemmen dan de CVP. Verhofstadt vormt een paars-groene regering die een nieuwe (vijfde) staatshervorming realiseert, de zogenaamde Lambermont-akkoorden (2001). Als indirect gevolg (na verdeeldheid bij de Volksunie) sluit voor de tweede keer een groep voormalige Vlaams-nationalistische politici (Patrick Vankrunkelsven, Sven Gatz, Annemie Van de Casteele, Fons Borginon, Vincent Van Quickenborne) zich aan bij de VLD. Deze instroom heeft invloed op het partijprogramma. In de Novemberverklaring van 2002 (congres van 16 november en 7 december 2002) verwerkt de VLD nieuwe thema’s zoals globalisering, vergrijzing en multiculturele samenleving maar duikt ook de term confederaal model op. Er wordt gepleit om extra bevoegdheden over te hevelen van het federale naar het regionale niveau.

Op een congres in aanloop naar federale en Europese verkiezingen in april 2004, beklemtoont de VLD dat ze ijvert voor een splitsing van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde. Dit thema domineert de Belgische politieke agenda in het eerste decennium van de eenentwintigste eeuw. De paarse regering-Verhofstadt II worstelt er heel even mee. In het voorjaar van 2005 slaagt de liberale premier er handig in om het probleem naar een latere datum te verschuiven. Op 3 februari 2007 houdt de VLD een studiedag over communautaire thema’s, De weg naar de open dialoog. Aanzet voor een nieuwe staatshervorming, met als meest opvallende eis de afschaffing van de faciliteiten. Het thema krijgt de jaren erop geen bijzondere aandacht meer.

In die ‘paarse jaren’ blijft het politieke landschap volop in beweging. Op de linkerflank van de VLD komt er versterking na de implosie van de Volksunie en de daaruit ontstane opvolgers. De rechterflank verzwakt na interne discussie over het migrantenstemrecht (2004). Ward Beysen (2003, Liberaal Appèl) verlaat als eerste kopstuk de VLD. Hugo Coveliers (2005, VLOTT) en Jean-Marie Dedecker (2006, Lijst Dedecker/LDD) worden uit de partij gezet. Vooral Dedecker doet bij een aantal daaropvolgende verkiezingen de ‘traditionele’ liberale partij pijn als het gaat om communautaire en rechts-liberale strijdpunten. Het is echter een groeiende N-VA (eerst nog in kartel met CD&V), die het politieke landschap gaat beheersen en oriënteren. Bij de verkiezingen van 10 juni 2007 verliest de paarse regering (en de intussen tot Open Vld hernoemde liberale partij na fusie met o.a. Vivant) ten nadele van vooral het kartel CD&V/N-VA en de lijst LDD. De komst van Willem-Frederik Schiltz (zoon van Hugo Schiltz) kan niet verhinderen dat een deel van de Vlaamsgezinde liberale kiezers kiest voor de alternatieven die intussen beschikbaar zijn.

Open Vld parlementsverkiezingen 10 juni 2007.

De volgende moeilijke regeringsonderhandelingen brengen Verhofstadt opnieuw aan het hoofd van een interim-regering (eind 2007). De liberale leider schrijft ‘een nieuw federaal pact’ maar het uitgebalanceerde document geniet slechts een lauw onthaal. In het voorjaar van 2008 vindt het zogenaamde Octopusoverleg plaats om een nieuwe staatshervorming voor te bereiden. Bart Somers en Patrick Vankrunkelsven maken hiervan deel uit voor Open Vld. Een belangrijk knelpunt blijkt nog altijd de hervorming van Brussel-Halle-Vilvoorde.

Eind 2009 neemt Alexander De Croo het voorzitterschap van Open Vld op zich. De Croo ziet weinig voordeel in lange discussies over de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde. Op 22 april 2010 kondigt de Open Vld-voorzitter daarom aan uit de regering-Leterme II te stappen. In het verkiezingsprogramma van 2010 geeft de liberale partij het confederale model nog niet helemaal op. Het wordt evenwel gezien als het eindstation. Open Vld kiest tegelijkertijd positie tegen het separatisme. De kiezer beloont De Croo met extra voorkeurstemmen maar de partij incasseert verlies.

Tijdens de daaropvolgende maandenlange onderhandelingen stelt Open Vld zich constructief op. De partij ondersteunt het Vlinderakkoord van de regering-Di Rupo I (hervorming Senaat, splitsing Brussel-Halle-Vilvoorde, verdere overheveling diverse bevoegdheden). Het communautaire aspect lijkt hiermee voor de Vlaamse liberalen van de baan. Op het Toekomstcongres van 22 tot 24 november 2013 pleit de partij (sinds december 2012 geleid door Gwendolyn Rutten) voor federalisme gebaseerd op het subsidiariteitsbeginsel en het democratisch meerderheidsprincipe, en voor de federale kieskring. Communautaire kwesties staan voor Open Vld niet hoog meer op de agenda. Het Vrijheidscongres (17 tot 19 november 2017) bevestigt de keuze voor het federalisme. Open Vld concentreert zich op liberale thema’s zoals fiscaliteit en ethische thema’s. De druk die N-VA wist te zetten op de liberale rechtervleugel, blijft niet zonder gevolg.

Bij de regeringsvormingen van 2014 en 2019 vinden N-VA en Open Vld elkaar vrij vlug op het Vlaamse niveau (met in 2014 liberale ministerposten voor Sven Gatz, Annemie Turtelboom, later vervangen door Bart Tommelein en vervolgens door Lydia Peeters, en in 2019 voor Bart Somers en Lydia Peeters). Op het federale vlak verbindt Open Vld haar lot steeds meer aan de Franstalige liberale partij MR. In de discussie in de regering-Michel I rond het VN-Migratiepact (eind 2018) ziet Open Vld een kans om zich af te zetten tegenover N-VA. Het levert weinig zichtbaar resultaat op bij de verkiezingen van mei 2019.

De regeringsvorming verloopt moeizaam en wordt getekend door de coronacrisis die in maart 2020 uitbreekt. In mei 2020 verkiezen de liberalen Egbert Lachaert als nieuwe voorzitter. Hij onderhandelt mee een akkoord voor een nieuwe federale regering waarvan Alexander De Croo de leiding krijgt. Een op te volgen evolutie is de vaststelling dat de Vlaamse liberalen in deze periode de banden aanhalen met de Franstalige zusterpartij. Het is niet denkbeeldig dat deze unitaire visie op termijn de communautaire inzichten van de Vlaamse liberalen bijschaaft.

Peter Laroy, Liberas, 2021.

Bronnen, noten en/of referenties

Guy Verhofstadt, Burgermanifest, 1991.

Guy Verhofstadt, De weg naar politieke vernieuwing, 1992.

Guy Verhofstadt, Angst, afgunst en het algemeen belang, 1994.

Guy Verhofstadt, De Belgische ziekte. Diagnose en remedies, 1997.

Guy Verhofstadt, De Vierde Golf. Een liberaal project voor de nieuwe eeuw, 2002.

Guy Verhofstadt, Pleidooi voor een open samenleving. Het vierde burgermanifest, 2006.

Guy Verhofstadt, e.a. Een beter België. Een federale toekomst voor ons land, 2014.

Pascal Delwit (ed.), Du parti libéral au MR. 170 ans de libéralisme en Belgique (Bruxelles: Editions de l’Université de Bruxelles, 2017).

Vincent Delcorps, Vincent Dujardin, Olivier Maingain, FDF 50 Ans d’engagement politique (Bruxelles: Racine, 2014).

Eliane Gubin, Bruxelles au XIXe siècle: berceau d’un flamingantisme démocratique (1840-1873) (Bruxelles: Credit Communal, 1979).

Chantal Kesteloot en Herve Hasquin, Au nom de la Wallonie et de Bruxelles français: les origines du FDF (Bruxelles: Complexe, 2004).

Boudewijn Vanpeteghem en Olivier Mouton, Numero uno. Guy Verhofstadts weg naar de top (Tielt: Lannoo, 2003).

Walter Prevenier, Clair Ysebaert en Luc Pareyn, Vijftig jaar liberale praxis. Willy De Clercq vijfenzeventig jaar (Gent: Liberaal Archief, 2002).

Patrick Stouthuysen, Vrijheid voorop: een kennismaking met het liberalisme (Gent: Liberaal Archief, 2006).

Piet Van Brabant en Wouter Blomme, Als een vuurtoren. 85 jaar Liberaal Vlaams Verbond, (Gent: LVV/Liberaal Archief, 1998).

Harry Van Velthoven, De Vlaamse kwestie 1830-1914. Macht en onmacht van de Vlaamsgezinden (Kortrijk/Heule: UGA, 1982).

Harry Van Velthoven, Waarheen met België. Van taalstrijd tot communautaire conflicten. Een selectie uit 35 jaar wetenschappelijk onderzoek (Brussel: ASP, 2011).

Harry Van Velthoven en Jeffrey Tyssens, Vlaamsch van taal, van kunst en zin. 150 jaar Willemsfonds (1851-2001), (Gent: Willemsfonds/Liberaal Archief, 2001).

Daniel Vanacker. Een averechtse liberaal. Leo Augusteyns en de liberale arbeidersbeweging/Van activist tot antifascist. Leo Augusteyns en het Vlaams-Nationalisme (Gent: Academia Press/Liberaal Archief, 2008) 2 delen.

Suzanne Vanaudenhove en Luc Pareyn, Omer Vanaudenhove, een bruggenbouwer (Gent: Liberaal Archief, 1996).

Arie W. Willemsen, De Vlaamse Beweging. 1830-1914. Deel I (Twintig Eeuwen Vlaanderen, Deel 4) (Hasselt: Heideland-Orbis, 1974).

Arie W. Willemsen, De Vlaamse Beweging. 1914-1940. Deel II (Twintig Eeuwen Vlaanderen, Deel 4) (Hasselt: Heideland-Orbis, 1975).

Arie W. Willemsen, De Vlaamse Beweging. Na 1940. Deel III (Twintig Eeuwen Vlaanderen, Deel 4) (Hasselt: Heideland-Orbis, 1979).

Els Witte, Jean-Claude Burgelman en Patrick Stouthuysen, Tussen restauratie en vernieuwing. Aspecten van de Belgische naoorlogse politiek (1994-1950) (Brussel: VUB-Press, 1990).

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

Hoe verwijs je naar dit artikel?

Peter Laroy, "Liberalisme en Vlaamse Beweging", Liberas Stories, laatst gewijzigd 17/06/2021.
copy url

Colofon

Liberas Stories is een realisatie van cultuurarchief Liberas. Het werd ontwikkeld door Josworld en Webdoos naar een concept van Ruben Mantels. Aan de hand van een ‘Atlas’ en een ‘Magazine’ vertelt Liberas Stories de geschiedenis van het liberalisme en worden de collecties van Liberas gepresenteerd. Deze website werd gelanceerd in juni 2021 en is sindsdien verder uitgebouwd.

De inhoud van dit portaal is bestemd voor Liberas’ erfgoedgemeenschap, maar ook voor studenten, onderzoekers en journalisten en voor iedereen die ons erfgoed wil ontdekken. Het is geen catalogus van onze collectie: die vind je op liberas.eu.

Alle teksten op deze website mogen hergebruikt worden mits het overnemen van de auteurs- en bronvermelding. Alle opmerkingen met betrekking tot Liberas Stories - vragen, aanvullingen, correcties, suggesties voor nieuwe bijdragen - zijn welkom op info@liberas.eu. 

Volg ons op