Onze website gebruikt cookies om je surfervaring te verbeteren. Om deze website optimaal te gebruiken vragen we je om akkoord te gaan met ons gebruik van cookies.

Ik ga akkoord liever niet.
Collectie

Pour faire la paix, il faut parler

Op 8 mei 1945 eindigt officieel de Tweede Wereldoorlog in Europa. De internationale situatie blijft onzeker. De Verenigde Staten en de Sovjet-Unie bakenen hun invloedssferen in Europa en in de wereld af. Het leidt tot tal van wrijvingen, de ene keer al heviger dan de andere. De Belgische liberalen volgen de situatie met argusogen. Een congres van de Landsraad van de Liberale Partij van 16 en 17 december 1950 biedt een mooie graadmeter van deze Koude-Oorlogssfeer.1 Het belangrijkste agendapunt op die bijeenkomst is de internationale situatie en de evolutie van de internationale politiek. De conclusie is duidelijk: de wereld bevindt zich in een explosieve situatie, de vrede dient te allen prijze te worden bewaard en blijven praten helpt.

Peter Laroy
4 januari 2022

Na de Tweede Wereldoorlog probeert België zich een plaats te veroveren op het internationale toneel. Belgische politici engageren zich in organisaties en instellingen die de naoorlogse wereld vorm willen geven. Zo wordt de Belgische socialist Paul-Henri Spaak in 1946 de eerste voorzitter van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. Maar ook aan liberale kant is er veel interesse voor het internationale speelveld. Zowel partijvoorzitter Roger Motz als Julius Hoste jr. hebben gedurende hun verblijf in Engeland tijdens de Tweede Wereldoorlog niet stilgezeten en een netwerk uitgebouwd. Naar aanleiding van de viering van haar honderdjarig bestaan in 1946, besteedt de Liberale Partij uitgebreid aandacht aan de internationalisering. Vertegenwoordigers uit Denemarken, Spanje, Frankrijk, Italië, Zwitserland, Zweden, Groot-Brittannië en Nederland stellen er samen de zogenaamde Declaratie van Brussel op, de basis voor het Manifest van Oxford (april 1947).

Een nieuwe wereldoorlog?

Net in die decemberdagen van 1950 waarin het liberaal congres bijeenkomt, maakt een bataljon Belgische Koreavrijwilligers zich klaar om zich bij de westerse strijdkrachten te vervoegen. De Koude Oorlog trekt aan en de spanning tussen de grootmachten stijgt zienderogen. De oorlogsjaren zijn opnieuw meer dan een verre nare herinnering. Met veel interesse en engagement debatteren de liberalen erover in Brussel.

Onder leiding van Julius Hoste jr. heeft een werkgroep het thema voorbereid. Vrede, veiligheid en internationale samenwerking zijn kernbegrippen die het debat domineren. De congresdeelnemers nemen de woorden ‘angst’, ‘vrede redden’, ‘nieuwe wereldoorlog’ in de mond. Centraal staat het uitgangspunt dat het liberalisme strijdt tegen de dominantie van het communisme in het algemeen en de Sovjet-Unie in het bijzonder. Net zoals voor de oorlog werd gevochten tegen het rexisme en het nationalisme, moeten liberalen nu de strijd aanbinden met het communisme.

Verkiezingsaffiche met daarop het schrikbeeld van de verdelende dreiging van het communisme, verpersoonlijkt in de figuur van leider Jozef Stalin, alias De Duivel (schaduw).

Paul Kronacker die tijdens de oorlog ook in Londen verbleef en als verantwoordelijke voor de bevoorrading heel goede contacten heeft met de geallieerde bondgenoten - brengt op het congres verslag uit van een reis naar de Verenigde Staten. Er leeft volgens hem grote bezorgdheid in Washington maar tegelijkertijd ook meer dan ooit stevige vastberadenheid. Het is duidelijk dat de Amerikanen vastberaden zijn om zich met hand en tand te verzetten tegen de Sovjet-Unie, wiens enige doel volgens hen is de vrije wereld te onderwerpen. Kronacker is van mening dat Europa zelf het heft in eigen hand moet nemen. Het NAVO-pact (1949) biedt mogelijkheden maar dreigt op termijn de Europese landen volledig afhankelijk te maken van de Amerikanen.



Wij mogen ons niet ontveinzen, dat het communistisch imperialisme van Sovjet-Rusland den vrede en de vrijheid bedreigt.

Het Volksbelang, 24 december 1950

Een Europees leger

De ontwikkeling van een Europees leger en van gemeenschappelijke Europese instellingen is een noodzaak, zo klinkt het op de bijeenkomst. België is klein op wereldschaal maar kan dankzij een traditie van bemiddeling een richtinggevende rol spelen. Tijdens de besprekingen valt ook de term ‘passieve defensie’. Geïnspireerd door het Britse voorbeeld tijdens de oorlog, dient er in België een ‘homeguard’ te worden ingericht. Mocht het ooit tot een oorlog komen, zal er immers vlug geschakeld moeten worden. Mobilisatie van troepen is in het naoorlogse tijdperk immers geen kwestie meer van weken of dagen (zoals in de jaren 1930) maar van uren.

Het idee van een Europees leger of een Europese Defensiegemeenschap leeft vanaf het najaar 1950 sterk in Frankrijk. Hendrik Vos, expert op het gebied van de recente Europese geschiedenis, situeert dit in zijn publicatie Dit is Europa als volgt: “In de Belgische en de Nederlandse regeringen vielen de monden open. Dit hadden ze niet zien aankomen. Ze konden niet geloven dat de Fransen geen verborgen agenda hadden. Als er een gemeenschappelijk leger kwam, zou Parijs het helemaal naar zijn hand zetten, dat kon niet anders. Voor de divisies uit de lage landen zou er een figurantenrol zijn weggelegd, in het beste geval als kanonnenvlees.”2

En er is meer. Wanneer het onderwerp ter sprake komt in de Brusselse congreszaal duiken de demonen uit het verleden weer op. De vraag wordt openlijk gesteld welke rol het ‘nieuwe’ Duitsland kan spelen. Het vertrouwen in de oosterburen is allesbehalve groot. De geschiedenis heeft meer dan eens bewezen dat de Sovjet-Unie (of in oudere geopolitieke termen: Rusland) niet te vertrouwen is op het toneel van de internationale politiek, maar Duitsland, aanstoker van twee grote conflicten in de voorbije decennia, is dat evenmin. Of zoals Vos het stelt: “Geef de Duitsers een leger en het is een kwestie van tijd voor ze de grenzen in vraag stellen.”3

Cartoon van het Europees leger: het gros van de soldaten en hun aanvoerder zien er nogal Duits uit. De kleine landen leveren ook kleine soldaten, bemerk ‘le p’tit belge’ verscholen achter de eerste gelederen. De bevelhebbers van de grootmachten Frankrijk en Groot-Brittannië staan er maar beteuterd bij. Uncle Sam kijkt goedkeurend toe en vindt het “O.K.”.

Illustratie nieuwjaarskaart 1953-1954 van drukkerij Lamoot uit Elverdinge (archief Hilaire Lahaye, in verwerking).

Duitsland dient zich volgens de besprekingen op het liberale congres met volle overgave binnen de Europese Unie te integreren zodat de andere partners het onder controle kunnen houden. Ruim vijf jaar na de overwinning op nazi-Duitsland zit de schrik voor de Duitsers nog heel diep. Het verzet tegen een Europees leger waarvan Duitsland deel zou uitmaken, is expliciet.

Het is verder interessant om in het verslag te lezen dat ook ten opzichte van Groot-Brittannië een zekere scepsis bestaat. Het beleid van zijn socialistische regering boezemt maar weinig vertrouwen in. Een te sterke overheid zien de Belgische liberalen niet graag komen. Kortom, er zijn behoorlijk wat bedenkingen over wie er wel of niet te vertrouwen is in de internationale politiek in deze eerste naoorlogse periode. Over één zaak zijn de congresgangers het echter wel eens. Op de drempel van het nieuwe jaar dient een nieuwe oorlog koste wat kost vermeden te worden en moet dialoog primeren op wapengekletter: Pour faire la paix, il faut parler.

En verder…

Veel meer dan de internationale politiek bespreken op een congres kunnen de liberalen op dat ogenblik niet doen. Het duurt tot het voorjaar van 1954 vooraleer de Liberale Partij, samen met de socialisten, opnieuw in een coalitieregering geraakt. De plannen voor een Europees leger zitten dan in een eindfase. Het is (andermaal) de socialist Paul-Henri Spaak die tijdens de zomermaanden van 1954 de onderhandelingen voert. De sfeer op het wereldtoneel is intussen reeds enigszins bekoeld, veel hoofdrolspelers hebben het toneel verlaten. Op 30 augustus 1954 stemt de Franse assemblée het voorstel van de Europese Defensiegemeenschap weg. Spaak bestempelt het als een overwinning voor de Sovjet-Unie.4 De droom van een Europees leger steekt de daaropvolgende decennia nog wel eens de kop op maar wordt niet gerealiseerd.

Bronnen, noten en/of referenties

1. Liberas, Archief Liberale Partij / Parti Libéral - Partij voor Vrijheid en Vooruitgang (PVV) / Parti de la Liberté et du Progrès (PLP) (archief nr. 15), 6.1. Agenda en documentatie m.b.t. de vergadering van de landsraad, 16-17.12.1950. Ts. 10p. (F)

2. Hendrik Vos, Dit is Europa. De geschiedenis van een Unie (Gent: Borgerhoff & Lamberigts, 2021) 70.

3. Hendrik Vos, Dit is Europa. De geschiedenis van een Unie (Gent: Borgerhoff & Lamberigts, 2021) 68-69.

4. Het Laatste Nieuws, 1 september 1954.

Hoe verwijs je naar dit artikel?

Peter Laroy, "Pour faire la paix, il faut parler", Liberas Stories, laatst gewijzigd 30/09/2022.
copy url

Colofon

Liberas Stories is een realisatie van cultuurarchief Liberas. Het werd ontwikkeld door Josworld en Webdoos naar een concept van Ruben Mantels. Aan de hand van een ‘Atlas’ en een ‘Magazine’ vertelt Liberas Stories de geschiedenis van het liberalisme en worden de collecties van Liberas gepresenteerd. Deze website werd gelanceerd in juni 2021 en is sindsdien verder uitgebouwd.

De inhoud van dit portaal is bestemd voor Liberas’ erfgoedgemeenschap, maar ook voor studenten, onderzoekers en journalisten en voor iedereen die ons erfgoed wil ontdekken. Het is geen catalogus van onze collectie: die vind je op liberas.eu.

Alle teksten op deze website mogen hergebruikt worden mits het overnemen van de auteurs- en bronvermelding. Alle opmerkingen met betrekking tot Liberas Stories - vragen, aanvullingen, correcties, suggesties voor nieuwe bijdragen - zijn welkom op info@liberas.eu. 

Volg ons op