‘M. de Perceval, représentant, est parti pour l’Italie.’ Met dit ogenschijnlijk onschuldige zinnetje, gepubliceerd in de katholieke krant L’Émancipation op 2 november 1858, ontstaat de eerste bres in de dijk. In de dagen nadien breekt voor de Perceval een ware zondvloed los. Hij krijgt vrijwel het hele katholieke establishment tegen zich en vindt ook binnen zijn eigen partij nauwelijks steun.
Op 7 november 1858 bericht L’Étoile Belge, de krant van de Brusselse doctrinaire liberaal Louis Hymans, dat de Perceval voor langere tijd in het buitenland zal verblijven en ontslag neemt uit de vereniging Vlamingen Vooruit. Een van de weinige stemmen die hem openlijk verdedigt, is zijn vriend en medewerker François Haeck, die nog probeert in te gaan tegen de beschuldigingen van Hymans.
Het mag echter niet baten. De hardnekkige geruchten, die in de wandelgangen van het parlement al langer circuleren, worden nu openlijk verspreid door de katholieke krant Le Journal d’Anvers. Die krant beweert dat de Perceval niet in Italië verblijft, maar zich zou hebben gevestigd ‘aan de oevers van de Dode Zee, in Pentapolis’.
Voor een moderne lezer klinkt dat als een vreemde bestemming, maar een negentiende-eeuwer begrijpt meteen de figuurlijke lading van die verwijzing. De Pentapolis aan de Dode Zee omvat onder meer Sodom en Gomorra, steden die in die tijd synoniem zijn van een verderfelijke moraal, en specifiek van homoseksualiteit. Dat gerucht, dat nu openlijk verspreid en gretig wordt overgenomen door andere katholieke kranten, vormt de rechtstreekse aanleiding voor het abrupte verdwijnen van de Perceval uit het politieke leven.
Opmerkelijk is vooral de volledige afwezigheid van steun vanuit liberale hoek. Enkel François Haeck en een handvol medestanders nemen het kortstondig voor hem op. De radiostilte van de liberale pers én van de Perceval zelf werken de geruchten verder in de hand. Willem Van den Steene sluit niet uit dat er sprake is van een politieke afrekening, maar moet door het gebrek aan bronnen erkennen dat het ware verhaal wellicht nooit helemaal achterhaald zal worden.6
De novemberdagen van 1858 ontvouwen zich voor de Perceval als een Griekse tragedie. In enkele dagen tijd verliest hij zijn carrière, zijn vrienden, zijn bezit en zijn eer. De dagen en weken die volgen zijn tumultueus en lastig te reconstrueren, vooral omdat de voornaamste bron de katholieke pers is, die gretig verslag doet van de crisis bij de progressistische liberalen. Een treffend voorbeeld is een satirische penning die wordt bewaard in de Koninklijke Bibliotheek en die ook wordt afgebeeld in de studie van Willem Van den Steene. De penning vormt een parodie op een vroegere huldepenning voor de Perceval: op de voorzijde staat zijn profiel, terwijl op de keerzijde een bloot achterwerk prijkt in plaats van de gebruikelijke tekst. Volgens Van den Steene is er een duidelijk verband tussen deze satirische penning en de gebeurtenissen die volgen in 1858 (hoewel dit door de datering in de catalogus van het penningkabinet wordt tegengesproken).7