Onze website gebruikt cookies om je surfervaring te verbeteren. Om deze website optimaal te gebruiken vragen we je om akkoord te gaan met ons gebruik van cookies.

Ik ga akkoord liever niet.
Voorgesteld

De val van Armand de Perceval

Armand de Perceval groeit op in een welgestelde familie, werkt kort als diplomaat in Parijs en stapt in 1848 zelfverzekerd de Kamer van Volksvertegenwoordigers binnen. In het halfrond verdedigt hij ‘vrijheid en solidariteit’, bestrijdt het pauperisme, pleit voor goedkoop krediet en kiest duidelijk de zijde van de Vlaamse zaak. Gaandeweg groeit hij uit tot een boegbeeld van het progressieve liberalisme. Maar in 1858 stort alles in door een zedenschandaal.

Florian Van de Walle
15 december 2025

Liberale wortels in een katholieke stad

Armand de Perceval (°Mechelen, 1818) is in de eenentwintigste eeuw een grotendeels vergeten figuur. In het midden van de negentiende eeuw klinkt zijn naam echter als een klok: hij is een rijzende ster binnen de jonge Liberale Partij. Voor de meer klerikaalgezinden is de Perceval een doorn in het oog. Dat hij het liberalisme actief promoot in het aartsbisschoppelijke Mechelen maakt het voor hen des te pijnlijker.

De aandacht voor zijn leven wordt in 1976 hernieuwd door historicus Willem Van den Steene, die in zijn studie Een meteoor aan de politieke hemel: Armand de Perceval een scherp en volledig beeld schetst van het grillige leven van de Perceval.1 Van den Steene verdiept zich vooral in diens politieke carrière, die op zichzelf al bijzonder opmerkelijk is.

Als zoon van een vooraanstaande familie, met zijn vader als een eerder unionistische burgemeester van Mechelen, is het geen toeval dat Armand de Perceval uiteindelijk zijn leven aan de politiek wijdt. Maar hij start zijn carrière op verschillende andere terreinen. Zo wordt hij in 1839, op eenentwintigjarige leeftijd, ingewijd in de Luikse loge La Parfaite Intelligence et l’Étoile réunies. Tussen 1841 en 1843 werkt hij mee aan de redactie van de Journal de Malines, het eerste politieke en uitgesproken liberale weekblad van Mechelen, en van 1845 tot 1848 is hij in dienst op de Belgische ambassade in Parijs.

Nadien keert hij op eigen initiatief terug naar België om er een politieke toekomst uit te bouwen. Die timing lijkt niet toevallig. De Februarirevolutie van 1848 kan volgens Willem Van den Steene zijn reeds aanwezige liberale overtuigingen in een meer progressieve richting hebben geduwd en hem ertoe aangezet hebben om zich in Mechelen ten dienste te stellen van het (toen nog beperkte) kiezerskorps.2

Een blauwe ster aan het firmament

Terug in Mechelen, wordt de jonge Armand de Perceval al bij de verkiezingen van juni 1848 verkozen tot lid van de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Van de drie zetels die in het arrondissement te verdelen zijn, gaan er twee naar de liberalen. 

Dat succes is gedeeltelijk te verklaren doordat de katholieken, om uiteenlopende redenen, een lijst met uitsluitend nieuwkomers moeten samenstellen. Daarnaast profiteert de liberale beweging van een bredere opwaartse trend: de recente stichting van de Liberale Partij en de keuze voor één gezamenlijk kiesplatform geven het politiek liberalisme in heel het land een stevige impuls.3

De Perceval valt al snel op in het parlement. Een voorval met premier Charles Rogier, medeliberaal,  tijdens de Percevals inaugurele rede zet meteen de toon. Telkens als Rogier tijdens die toespraak een privégesprek voert met zijn buurman, pauzeert De Perceval, bijna schoolmeesterachtig, tot Rogier ophoudt met praten.

Zijn gewaagde stijl werpt vruchten af. Voor de liberalen is hij regelmatig verslaggever van belangrijke parlementaire werkgroepen en in 1850 wordt hij secretaris van de Kamer van Volksvertegenwoordigers.

De thema’s waarvoor hij zich inzet zijn uitgesproken progressistisch en verdedigt hij met grote felheid. Reeds vroeg in zijn parlementaire loopbaan maakt hij van armoedebestrijding een speerpunt, zowel in zijn tussenkomsten als in zijn wetgevende initiatieven. Zijn steeds goed voorbereide voorstellen, vaak onderbouwd met statistieken, worden echter niet door iedereen geapprecieerd. Binnen de doctrinaire, meer conservatieve vleugel van de Liberale Partij krijgt hij af en toe zelfs het verwijt van ‘communist’.

Fragment uit de Kamertoespraak van Armand de Perceval over mutualiteiten (14 februari 1851)

“Het zoeken naar middelen om het materiële bestaan van de arbeidersklassen te verbeteren, dat is het probleem dat in alle landen om een oplossing vraagt. Deze oplossing is een ernstige zorg en een voortdurende gedachte geworden van alle verlichte geesten. Op haar beurt heeft ook de Belgische wetgevende macht zich op indirecte wijze met deze gewichtige kwestie beziggehouden. Door vorig jaar een pensioenfonds ten gunste van de arbeidersklassen op te richten, hebt u [de volksvertegenwoordigers] het gevoel van vooruitziendheid en spaarzaamheid bij de arbeider willen ontwikkelen, door hem het vooruitzicht te bieden van een oude dag gevrijwaard van nood. Dat was een eerste stap op de weg van de sociale verbeteringen. U hebt die gezet zonder u te laten beïnvloeden door overwegingen van een minder verheven aard die u werden voorgehouden om u in stilstand te doen volharden.”4

Armoedebestrijding blijft een belangrijk aandachtspunt voor de Perceval, maar samen met de proto-socialist François Haeck (1818-1889) zet hij zich eveneens in voor goedkoop krediet en voor de aanvaarding van het Nederlands als volkstaal in Vlaanderen. Betreffende dat laatste thema speelt de Perceval kort een opvallende rol binnen de vereniging Vlamingen Vooruit.

Deze in 1858 opgerichte vereniging, Vlaamsgezind en overwegend progressistisch, streeft naar gelijke rechten voor Vlamingen en Walen en behoudt tegelijk oog voor de sociale strijd. De Perceval is een korte periode voorzitter, maar nog voor de vereniging echt van de grond komt, verdwijnt hij volledig van het politieke toneel.5

Geen tronen blijven staan

De politieke carrière van de Perceval groeit tussen 1848 en 1857 gestaag. Hoewel hij voor de rechtervleugel van zijn partij moeilijk te verteren is, blijft hij gelden als een coming man. In 1857 verschijnt echter de eerste barst in zijn opwaartse traject. Dat jaar vinden verkiezingen plaats voor de volledige Kamer van Volksvertegenwoordigers. Terwijl in het hele land een liberale golf doorbreekt, biedt het arrondissement Mechelen, als een koppig Gallisch dorp, weerstand. De Perceval raakt niet herkozen en alle drie zetels gaan naar de katholieken.

Voor de Perceval biedt zich evenwel een uitweg aan. Charles Rogier heeft zich kandidaat gesteld in twee arrondissementen, Antwerpen en Brussel, en wordt in beide verkozen. Rogier kiest ervoor de zetel in Antwerpen op te nemen, waardoor de Brusselse zetel vrijkomt. Dankzij de steun van zijn progressistische vrienden in Brussel geraakt de Perceval bij de tussentijdse verkiezing in januari 1858 opnieuw in het parlement. Dat kleine struikelblok blijkt echter slechts de prélude van zijn plotse val, amper een jaar later.

‘M. de Perceval, représentant, est parti pour l’Italie.’ Met dit ogenschijnlijk onschuldige zinnetje, gepubliceerd in de katholieke krant L’Émancipation op 2 november 1858, ontstaat de eerste bres in de dijk. In de dagen nadien breekt voor de Perceval een ware zondvloed los. Hij krijgt vrijwel het hele katholieke establishment tegen zich en vindt ook binnen zijn eigen partij nauwelijks steun.

Op 7 november 1858 bericht L’Étoile Belge, de krant van de Brusselse doctrinaire liberaal Louis Hymans, dat de Perceval voor langere tijd in het buitenland zal verblijven en ontslag neemt uit de vereniging Vlamingen Vooruit. Een van de weinige stemmen die hem openlijk verdedigt, is zijn vriend en medewerker François Haeck, die nog probeert in te gaan tegen de beschuldigingen van Hymans.

Het mag echter niet baten. De hardnekkige geruchten, die in de wandelgangen van het parlement al langer circuleren, worden nu openlijk verspreid door de katholieke krant Le Journal d’Anvers. Die krant beweert dat de Perceval niet in Italië verblijft, maar zich zou hebben gevestigd ‘aan de oevers van de Dode Zee, in Pentapolis’.

Voor een moderne lezer klinkt dat als een vreemde bestemming, maar een negentiende-eeuwer begrijpt meteen de figuurlijke lading van die verwijzing. De Pentapolis aan de Dode Zee omvat onder meer Sodom en Gomorra, steden die in die tijd synoniem zijn van een verderfelijke moraal, en specifiek van homoseksualiteit. Dat gerucht, dat nu openlijk verspreid en gretig wordt overgenomen door andere katholieke kranten, vormt de rechtstreekse aanleiding voor het abrupte verdwijnen van de Perceval uit het politieke leven.

Opmerkelijk is vooral de volledige afwezigheid van steun vanuit liberale hoek. Enkel François Haeck en een handvol medestanders nemen het kortstondig voor hem op. De radiostilte van de liberale pers én van de Perceval zelf werken de geruchten verder in de hand. Willem Van den Steene sluit niet uit dat er sprake is van een politieke afrekening, maar moet door het gebrek aan bronnen erkennen dat het ware verhaal wellicht nooit helemaal achterhaald zal worden.6

De novemberdagen van 1858 ontvouwen zich voor de Perceval als een Griekse tragedie. In enkele dagen tijd verliest hij zijn carrière, zijn vrienden, zijn bezit en zijn eer. De dagen en weken die volgen zijn tumultueus en lastig te reconstrueren, vooral omdat de voornaamste bron de katholieke pers is, die gretig verslag doet van de crisis bij de progressistische liberalen. Een treffend voorbeeld is een satirische penning die wordt bewaard in de Koninklijke Bibliotheek en die ook wordt afgebeeld in de studie van Willem Van den Steene. De penning vormt een parodie op een vroegere huldepenning voor de Perceval: op de voorzijde staat zijn profiel, terwijl op de keerzijde een bloot achterwerk prijkt in plaats van de gebruikelijke tekst. Volgens Van den Steene is er een duidelijk verband tussen deze satirische penning en de gebeurtenissen die volgen in 1858 (hoewel dit door de datering in de catalogus van het penningkabinet wordt tegengesproken).7

Spotpenning Armand de Perceval, ca. 1858-1859, Collectie KBR, 2L038/06.

Wat wel vaststaat, is dat de Perceval tegen eind 1858 ontslag neemt uit al zijn mandaten en bestuursfuncties. Begin 1859 verkoopt hij bovendien zijn herenhuis in de Goswin de Stassartstraat en zijn kostbare bibliotheek. Daarmee komt zijn leven in België, voor zover de bronnen toelaten om dit te bepalen, definitief tot een einde.

Een geschandaliseerde herinnering

Vooraleer in te gaan op de levensloop van de Perceval na 1859, is het zinvol om stil te staan bij de manier waarop de hele kwestie in België nog jarenlang blijft nazinderen. Vooral de katholieke pers gebruikt hem af en toe als voorbeeld van wat zij beschouwen als de verderfelijke liberale moraal.

In de ultramontaanse krant Le Bien Public verschijnen regelmatig verwijzingen naar de Perceval wanneer de katholieke pers op zoek is naar illustraties om liberalen, en in het bijzonder vrijmetselaars, in een kwaad daglicht te plaatsen. In 1873, bijna vijftien jaar later, publiceert Le Bien Public bijvoorbeeld opnieuw een dergelijk lijstje waarin op sarcastische wijze enkele ‘honnêtes gens’ uit de vrijmetselarij worden opgesomd, met de Perceval op de tweede plaats.8

Opvallend is bovendien dat telkens wanneer de liberale pers een zedenzaak binnen de katholieke zuil aankaart, de katholieke pers vrijwel onmiddellijk terugslaat met verwijzingen naar de Perceval. Zelfs in 1886 duiken in de krant L’Escaut nog steeds toespelingen naar zijn vermeende misstap op.9

Wellicht een van de laatste keren dat de Perceval uitvoerig in de pers verschijnt, is in 1908. De katholieke krant La Métropole wijdt op de voorpagina een eerste artikel aan de herdenking van het vijftigjarig “jubileum” van zijn val. Het vrij lange stuk is minder polariserend dan eerdere berichten, maar ademt nog steeds een zekere katholieke triomf over wat wordt voorgesteld als het liberale fiasco van Mechelen.10

Een leven in de schaduw

Het leven van de Perceval na zijn val blijkt nauwelijks te reconstrueren. In 1976 probeert zijn biograaf Willem Van den Steene met het zeer schaarse bronnenmateriaal een aantal feiten met elkaar in verband te brengen. Ook in 2025, ondanks de doorgedreven digitalisering van binnen- en buitenlandse bronnen, lukt het niet om meer dan enkele minieme details toe te voegen aan het verdere levensverhaal van de Perceval.

Af en toe duikt zijn naam, vooral in de jaren 1860, opnieuw op in de pers met vermeende nieuwe feiten. In 1861 verschijnt bijvoorbeeld in verschillende kranten een bericht dat de Perceval in Baden-Baden zelfmoord zou hebben gepleegd vanwege gokschulden. Van dit alles blijkt echter niets waar te zijn.

Opmerkelijk is ook de vermelding in Le Bien Public en enkele andere kranten dat de Perceval onder de schuilnaam Deprelle in de Franse krant L’International de expansieve buitenlandse politiek van keizer Napoleon III tegenover België zou verdedigen. Terloops laat Le Bien Public daarbij nog eens de vroegere beschuldigingen van homoseksualiteit én de link met Louis Hymans de revue passeren. Dit alles ontgaat ook Willem Van den Steene niet.11 Ondanks de reële connecties die de Perceval met Frankrijk heeft tijdens zijn diplomatieke carrière en ook nadien, kan onmogelijk worden vastgesteld in hoeverre deze beschuldigingen op enige kern van waarheid berusten.

Behalve deze twee losse en op zijn minst zeer twijfelachtige vermeldingen duikt de Perceval nog op in enkele meer officiële bronnen. Dankzij de publicatie van Willem Van den Steene worden deze opnieuw onder de aandacht gebracht. Voor onderhavig artikel werden de bronnen van Van den Steene herbekeken en zijn enkele minieme details toegevoegd.

De meest veelzeggende bron die Van den Steene aantreft, dateert van juli 1863. Daaruit blijkt dat de Perceval inderdaad in Italië verblijft, kort na zijn zelfgekozen verbanning uit België. Vanuit Napels richt hij zich schriftelijk tot Solvijns, de Belgische ambassadeur (gevolmachtigd minister) in Turijn, met de vraag of die zijn moeder kan verzoeken hem geld te sturen zodat hij Napels kan verlaten en naar Algerije kan reizen om zich aan te sluiten bij het Vreemdelingenlegioen. Mevrouw de Perceval antwoordt dat zij het geld zal opsturen, maar dat dit de laatste keer is: hij zou zijn deel van de erfenis van zijn vader, ter waarde van één miljoen frank, inmiddels volledig hebben opgesoupeerd.12

Na deze opmerkelijke episode, waarin we toch een zeker radeloosheid merken bij de Perceval, duurt het tot 1869 vooraleer hij opnieuw opduikt in officiële bronnen. In de bevolkingsregisters van Mechelen merkt Willem Van den Steene op dat bij de naam van Armand de Perceval wordt genoteerd dat hij zich in dat jaar zou vestigen in Parijs, meer bepaald in de Rue Suger in het zesde arrondissement. Van den Steene merkt bovendien op dat op hetzelfde adres een zekere Charles Cartelier woont, aangeduid als “homme de lettres”.

De feiten die Van den Steene met het uiterst beperkte bronnenmateriaal kan reconstrueren, zijn op zich al opmerkelijk. Toch kunnen enkele details worden toegevoegd aan de kennis over de Percevals laatste verblijfplaats, en vooral over zijn band met Charles Cartelier, die nu kan worden bevestigd. In 1869 huwt Cartelier met een zekere mevrouw Prévost. In de Parijse huwelijksregisters staat De Perceval vermeld als een van de getuigen bij dit huwelijk, als ami. Deze huwelijksakte, waarin de Perceval expliciet wordt genoemd, vormt meteen de laatst bekende bron waarin hij met zekerheid voorkomt.13 Ondanks zijn ostracisme uit België, vindt hij in het buitenland nog steeds vrienden en kan hij vermoedelijk in alle stilte zijn leven voortzetten.

Na de Perceval?

Na meer dan honderdvijftig jaar is nog steeds niets bekend over het levenseinde van de Perceval. Zowel de studie van Willem Van den Steene als deze hernieuwde poging brengt, behalve enkele faits divers, weinig nieuws aan het licht. Wel staat vast dat Parijs waarschijnlijk niet zijn eindhalte is. Van den Steene doorzoekt alle overlijdensregisters van Parijs voor de periode 1869-1910 en vindt geen spoor van de Perceval. Als hij in 1871 nog in Parijs verblijft, maakt hij er een bijzonder chaotische periode mee, met achtereenvolgens de Duitse belegering van de stad tijdens de Frans-Pruisische Oorlog en de daaropvolgende strubbelingen met de Parijse Commune. Deze gebeurtenissen gaan gepaard met honger, geweld en algemene ontreddering. Hoe dan ook blijft de laatste fase van zijn leven bijzonder vaag, speculatief en omgeven door vragen.

In België blijft de Perceval vooral in de katholieke pers voortleven als het schoolvoorbeeld van de vermeend amorele liberaal-vrijmetselaar. In het arrondissement Mechelen laat hij bovendien een grote leemte achter binnen het lokale liberalisme. Na het wegvallen van hun voorman duurt het meer dan veertig jaar vooraleer de liberalen er opnieuw een vertegenwoordiger naar de Kamer van Volksvertegenwoordigers sturen. Pas met de verkiezing van Victor Van de Walle in 1900 zetelt er opnieuw een liberaal voor het arrondissement Mechelen.

Bronnen, noten en/of referenties

1. Willem Van den Steene, ‘Een meteoor aan de politieke hemel: Armand de Perceval’, in: Handelingen van de Koninklijke Kring voor Oudheidkunde, Letteren en Kunst van Mechelen, 80, nr. 2 (1976): 407-438. Zie ook de aparte brochure die later werd uitgegeven. Gezien de volledigheid van dit werk, wordt voor de levensschets van de Perceval teruggegrepen op deze meer dan degelijke studie. Enkele kleinere aanvullingen op basis van recent aan het licht gekomen bronnenmateriaal worden in deze bijdrage verwerkt.

2. Van den Steene, ‘Een meteoor’, 411.

3. Herwig de Lannoy, ‘"De schandaligste en hatelykste partygeest". Opiniegroepen en partijvorming in de stad Mechelen (1826-1860)’, in: Belgisch Tijdschrift voor Nieuwste Geschiedenis, 45, nr. 1 (2015): 104.

4. Vertaald uit het Frans met de hulp van Chat GPT. Voor de originele tekst zie: Armand de Perceval, Chambre des représentants. Sociétés de secours mutuels: discours (Brussel: Deltombe, 1851): 1. 

5. Van den Steene, ‘Een meteoor’, 412-424.

6. Van den Steene, ‘Een meteoor’, 431-438.

7. Van den Steene, ‘Een meteoor’, 436-437, voetnoot 90.

8. Le Bien Public, 30 augustus 1873: 1.

9. L'Escaut: organe du commerce d'Anvers, 14 mei 1886: 2: “L’ignoble personage - il ne s’agit pas cette foit de M. de Perceval - avait choisi le parc pour théatre de ses exploits”. 

10. La Métropole, 4 januari 1908: 1. “Il y a cinquante ans. L’éclipse d’une étoile libérale”.

11. Van den Steene, ‘Een meteoor’, 438.

12. Van den Steene, ‘Een meteoor’, 437-438.

13. Stadsarchief Parijs, registers van de huwelijksakten van het 5de arrondissement, V4E608, akte 687.

Hoe verwijs je naar dit artikel?

Florian Van de Walle, "De val van Armand de Perceval", Liberas Stories, laatst gewijzigd 16/12/2025.
copy url

Colofon

Liberas Stories is een realisatie van cultuurarchief Liberas. Het werd ontwikkeld door Josworld en Webdoos naar een concept van Ruben Mantels. Aan de hand van een ‘Atlas’ en een ‘Magazine’ vertelt Liberas Stories de geschiedenis van het liberalisme en worden de collecties van Liberas gepresenteerd. Deze website werd gelanceerd in juni 2021 en is sindsdien verder uitgebouwd.

De inhoud van dit portaal is bestemd voor Liberas’ erfgoedgemeenschap, maar ook voor studenten, onderzoekers en journalisten en voor iedereen die ons erfgoed wil ontdekken. Het is geen catalogus van onze collectie: die vind je op liberas.eu.

Liberas heeft geprobeerd alle rechthebbenden op beeldmateriaal te contacteren. Personen of organisaties die zich alsnog in hun rechten voelen geschaad nemen contact op met Liberas vzw, Kramersplein 23, 9000 Gent.

Alle teksten op deze website mogen hergebruikt worden mits het overnemen van de auteurs- en bronvermelding. Alle opmerkingen met betrekking tot Liberas Stories - vragen, aanvullingen, correcties, suggesties voor nieuwe bijdragen - zijn welkom op info@liberas.eu. 

Volg ons op