Onze website gebruikt cookies om je surfervaring te verbeteren. Om deze website optimaal te gebruiken vragen we je om akkoord te gaan met ons gebruik van cookies.

Ik ga akkoord liever niet.
Voorgesteld

Fernand Rahier: intellectueel in het verzet

De liberale econoom Fernand Rahier is in het interbellum een onvermoeibare intellectuele duizendpoot: o.a. auteur (fictie en non-fictie), voordrachtgever, journalist, leraar, boekhandelaar, uitgever. Vrijheid draagt hij hoog in het vaandel, en na de Duitse inval in 1940 wordt hij dan ook actief in het verzet. In juni 1941 wordt hij echter gearresteerd.

Peter Laroy
5 juni 2025

Schets van Fernand Rahier door Xavier Collet (opgenomen in het werk Adieu aux Vivants).

Wie is Fernand Rahier?

Fernand Rahier (7 januari 1906-11 november 1942) wordt geboren te Ekeren. Zijn vader is afkomstig van Cornesse (provincie Luik) en zijn moeder van Ninove (provincie Oost-Vlaanderen). In 1908 verhuist het gezin naar Borgerhout en bijna 20 jaar later naar Berchem. Zijn lagere school volgt Rahier in het St.-Norbertusinstituut, zijn secundaire studies start hij in 1918 in het St.-Ignatiusinstituut. Na een jaar maakt Rahier de overstap naar het Lycée d’Anvers. In 1924 start hij hogere studies in het Institut Supérieur de Commerce de l’Etat (Hoger Handelsgesticht) in Antwerpen. Na afloop hiervan trekt hij naar de Université Libre de Bruxelles (ULB) om er een licentie in de Economische Wetenschappen te volgen.

Reeds tijdens zijn secundaire studies komt zijn culturele interesse naar boven. Deze houding ontwikkelt zich verder tijdens zijn hogere studies. Rahier, die Franstalig is, ontpopt zich tot een verwoed lezer, schrijft zelf teksten, houdt lezingen voor Franstalige en francofone verenigingen en treedt toe tot de Franstalige toneelgezelschappen in Antwerpen zoals de CAIRLA (Cercle des Anciens de l’Institut Rachez et du Lycée d’Anvers). Dit gezelschap betekent wel iets: het neemt deel aan toneelwedstrijden in Brussel, Lyon en Straatsburg. De jonge Rahier laat zich verder ook inspireren door de in 1919 opgerichte Volkenbond (de Société des Nations), door ‘de geest van Genève’, zoals hij het zelf omschrijft. Hier ziet men reeds de kenmerken van een ‘intellectuel racé, qui n’avait d’autre passion que celle de l’esprit’.1

Eenmaal afgestudeerd, vervult Rahier zijn dienstplicht. Van half september 1928 tot half oktober 1929 geniet hij zijn opleiding in een artillerie-eenheid. Na zijn legerdienst kan hij onmiddellijk aan de slag bij de Antwerpse liberale Franstalige krant Le Matin. Hij maakt er kennis met directeur Paul De Cauwer (1900-1949), redactiesecretaris René Van der Schoepen (1880-1954) en redacteur Willy Koninckx (1900-1954).2 Van 1930 tot 1935 combineert hij zijn werk als journalist met een administratieve functie op zijn vroegere school Lycée d’Anvers. Het is een opstap naar een job als leraar economische geografie en politieke economie in diezelfde instelling. Op 23 augustus 1930 huwt Rahier met Yvonne Gigot.

Rahier is een intellectueel maar ook een onvermoeibare werker. Naast zijn werk als journalist en zijn functie in het Lycée, opent hij op 8 april 1933 de boekhandel l’Harmonie op de Mechelse Steenweg 225 in Antwerpen.3 Deze heeft een ruim assortiment aan Franstalige literatuur en biedt de mogelijkheid om abonnementen op internationale kranten en periodieken te nemen. Rahier staat als eigenaar vermeld in de advertenties maar in werkelijkheid is het vooral zijn echtgenote die de praktische kant behartigt. Aansluitend bij deze boekhandelsactiviteit, richt Rahier een eigen uitgeverij op, A l’Enseigne du Carrousel. Het geeft hem de gelegenheid om eigen werk maar ook teksten van vrienden uit te geven.

Vanuit die intellectuele interesse is Rahier in de jaren 1930 steeds meer bezorgd over de evolutie van de internationale politiek. Hij maakt zowel in 1938 als 1939 de mobilisatie mee en vreest dan reeds het ergste voor de toekomst.

Aan de Achttiendaagse Veldtocht in mei 1940 neemt hij deel als artillerist. Vanuit Antwerpen belandt hij in het West-Vlaamse Beernem en Oedelem om vervolgens nog dieper de provincie in te trekken (Kortemark en Leke-Diksmuide). Na de overgave van de Belgische troepen volgt een korte gevangenschap in Ronse. In de loop van juni 1940 is hij terug in Antwerpen. Zijn belevenissen tijdens deze oorlogsdagen pent hij neer in een boek, dat pas na de oorlog bij zijn eigen uitgeverij verschijnt.

Tijdens de eerste oorlogsmaanden komt Rahier via collega’s op het Lycée d’Anvers in contact met een netwerk dat spioneert voor de Engelsen. Zijn boekhandel/uitgeverij stelt hij parallel hiermee meteen ten dienste voor de productie van clandestien drukwerk tegen de bezetter (het blad Le Clan d’Estin).4 Eind april 1941 komen de Duitsers het spionagenetwerk op het spoor. ‘Nous sommes flambés’, zo schrijft hij later zelf.5 Een eerste ondervragingsronde vindt plaats in Hotel Excelsior (Pelikaanstraat). Vervolgens brengen de Duitsers Rahier over naar de gevangenis in de Begijnenstraat in Antwerpen. Enkele betrokkenen zwichten onder Duitse druk en de bezetter slaagt erin het hele netwerk in kaart te brengen.

Op 7 juni 1941 verhuist Rahier naar de gevangenis van Sint-Gillis, begin december naar Hamburg en op 9 juni 1942 naar Berlijn. In juli 1942 vindt in de Duitse hoofdstad het proces plaats. Een tiental betrokkenen bij het netwerk, onder wie Rahier, krijgen de doodstraf. Op 11 november 1942, iets over 9 u. ’s ochtends, volgt de terechtstelling. Tijdens zijn gevangenschap houdt hij een dagboek bij dat op miraculeuze wijze na de oorlog opduikt en kon worden gepubliceerd. De Académie Internationale de Culture Française (Brussel) kent Rahier voor deze tekst postuum de Prix de la Paix 1946 toe.6

Vrijheid voorop

Rahier maakt deel uit van de Franstalige gemeenschap die in de eerste helft van de twintigste eeuw in Antwerpen zichtbaar aanwezig en actief is. De kranten Le Matin (liberaal) en La Métropole (katholiek) zijn er de spreekbuizen van. Er is een bloeiend cultureel leven met toneelopvoeringen, lezingen en boekbesprekingen. In verenigingen zoals La Renaissance d’Occident, de Grand Cercle Wallon, en de Groupement Universitaire d’Anvers pour la Société des Nations maakt hij kennis met figuren als Eric Sasse, Fernand Demany, Paul Hymans, Paul-Emile Janson, Jules Destreé, e.a. Hij houdt in deze kringen zelf lezingen over diverse culturele onderwerpen.

Rahier voelt zich in deze Franstalige middens bijzonder in zijn sas. In zijn teksten geeft hij sneren naar de Vlaams-nationalisten maar ook naar de rexisten die naar zijn aanvoelen het land kapot hebben geholpen. Zijn geest is wel voldoende open om hiermee om te gaan. Tijdens de Achttiendaagse Veldtocht werkt hij bijvoorbeeld nauw samen met Karel Engelbeen, een man met een duidelijk Vlaamsgezinde stempel die naderhand volop in de collaboratie belandt.7

Rahier kan getypeerd worden als een vrijzinnige Franstalige liberaal. Hij zet reeds op jonge leeftijd daadwerkelijk de stap in de richting van de Liberale Partij. Eind 1929 is hij twee jaar voorzitter van de Antwerpse Ligue de la Jeunesse Libérale. De - bijna logische - volgende stap zet hij in de richting van de Association libérale et constitutionelle d’Anvers, waar de Antwerpse Franstalige liberalen elkaar vinden. De partijtop ziet veel potentieel in de jongeman en biedt hem de kans om vlug deel uit te maken van de bestuursorganen, ook op nationaal vlak.

Al vlug ontdekt de intellectueel echter het verschil tussen theorie en praktijk. Rahier koestert het liberale gedachtegoed maar bekijkt met enige reserve hoe politici dit in de praktijk brengen. Wanneer zijn pleidooi voor verandering in dovemansoren valt, trekt hij zijn conclusies en zegt de partijpolitiek vaarwel. 

‘Périmé comme doctrine de parti, le libéralisme me semble devoir survivre comme une attitude de l’esprit car, autant il est sage et raisonnable, et prudent aussi d’admettre qu’en un période troublée, l’Etat, ce corps anonyme, limite l’initiative des audacieux, protège les droits des faibles ou des moins doués et, de façon générale, contrôle nos entreprises et tienne en laisse notre instinct de conquête, autant il est naturel et même souhaitable que l’être humain qui par civisme s’accomode de cette contrainte, la considère comme un pis-aller, comme un mal, nécessaire mais contemporaine, et aspire au retour de la liberté qui est, par essence, le climat de l’homme.’8

Vrijheid is voor hem het hoogste goed!

Journalist en auteur

Zoals aangegeven, begint Rahier meteen na zijn legerdienst als journalist bij het Antwerpse dagblad Le Matin. Op dat ogenblik heeft hij zijn sporen reeds verdiend met bijdragen in periodieken met beperkte oplage. Hij ligt mee aan de basis van het tijdschrift Quand Même en wordt er hoofdredacteur.9

Diezelfde functie bekleedt hij bij het maandblad Arts et Artistes.10 Deze Antwerpse publicatie wordt geleid door directeur Maurice Dewalhens. Eind 1931 volgt hij de overleden hoofdredacteur Edgard Dauvister op. De redactie is er gerust in: ‘Faisant depuis près de dix ans du theâtre en amateur, il saura défendre avec une juste bienviellance la cause qui était si chère à notre regretté Dauvister.11 Rahier schrijft in de daaropvolgende nummers nog een eigen rubriek onder de titel Parenthèses. Onder Rahier krijgt het blad de naam Chanteclair en hij definieert het meer als een ‘revue politique et littéraire’.

Minder gekend is het feit dat Rahier ook actief meewerkt aan het maandblad Bureau Magazine, met als redactieadres Meir 55 in Antwerpen. Max Néama, een Antwerpse reclameman en journalist die ook schrijft voor Le Matin, zet in mei 1929 het blad in de markt als een zakenblad avant la lettre, een ‘magazine mensuel de l’organisation moderne des affaires’. Néama is duidelijk gegrepen door de ontwikkelingen op het vlak van public relations en marketing in de Verenigde Staten. Hij brengt artikels over hoe men reclame dient te maken, over effectieve advertenties, over de praktische uitbouw van een kantoorruimte en over het uitwerken van een aantrekkelijke etalage. Rahier schrijft in Bureau Magazine over thema’s waarmee hij tijdens zijn economische studies in aanraking is gekomen. Opvallend is een reeks over de werkzaamheden van de  handelsvertegenwoordigers.12  Interessant is verder zijn bijdrage over de Tsjechische schoenfabrikant Bata. Uit de tekst kan worden afgeleid dat hij er een grondige studie heeft over gemaakt en misschien zelfs het bedrijf heeft bezocht.13 Het illustreert de veelzijdigheid van Rahier als auteur.

Rond 1930 stuurt Rahier ook bijdragen in naar het maandblad L’Eveil (uitgever Vanderpoorten,  Coupure 60, Gent). Het blad heeft een pedagogische insteek en een Belgicistische ondertoon. In het themanummer naar aanleiding van het honderdjarig bestaan van België, plaatst Rahier een stuk over de Belgische economie.14 Een bijdrage over het Tsjechische Bata verschijnt eveneens in dit blad. Wanneer de redactie van L’Eveil vanuit Gent naar Luik verhuist en het blad opgaat in Semailles Au Soleil zendt Rahier sporadisch nog een tekst in (o.a. over de Tsjechische president Masaryk). Eind  jaren dertig werkt hij ook mee aan Hors des Siècles en het meer populaire Week-End, een blad dat Le Matin-directeur De Cauwer in het leven heeft geroepen.

Rahier schrijft intussen ook boeken. Zijn eerste werk is de theaterkomedie Petite Parenthèse, in de zomer van 1930 uitgegeven bij Editions Marne (Karel Oomsstraat, Antwerpen). De tekst geniet een goed onthaal in de Franstalige culturele kringen in Antwerpen.15 Het stuk komt ook (vermoedelijk in een of andere bewerking) terecht in de nog jonge radiouitzendingen.16 Later volgen Vote de Confiance (komedie), Arthème Truffaut, instituteur de village (onuitgegeven roman) en Défense de libre-echange (een essay van ongeveer honderd pagina’s, in 1934 verschenen bij Editions Harmonies).

Op zijn publicatielijst staan verder volgende werken: Production, Circulation et Répartition des richesses (Cours d’économie politique), Considération sur un ordre nouveau (onuitgegeven essay), La question de la main d’œuvre en Congo (essay, uitverkocht), Colonisation de Katanga (essay, uitverkocht), Problèmes de géopolitique (Cours de géographie politique), Un homme comme tant d’autres (Souvenirs). Na de oorlog verschijnen nog het licht ironische Campagne des trois dimanches (over de Achttiendaagse Veldtocht) en het indrukwekkende Adieu aux vivants, een relaas van zijn laatste maanden in gevangenschap.

Het Lycée d’Anvers (Nerviërsstraat 9, Antwerpen) (foto uit Lycée d’Anvers. Institut Rachez. Historique et Activités 1901-1951, (Antwerpen: 1951).

In zijn eigen uitgeverij, A l’Enseigne du Carrousel, publiceert Rahier net voor de Tweede Wereldoorlog enkele werken die ook wel wat aandacht krijgen. Van Jean Sasse (zoon van de Antwerpse liberale schepen Eric Sasse) publiceert hij Couleur de pluie, een werk over Antwerpse geschiedenis, met illustraties van Xavier Collet. Van de latere liberale politicus Jacques Van Offelen geeft hij twee werken uit: Neutralité de l’esprit en Non-valeur de l’esprit de sacrifice. Verder verschijnen nog Terreur sur la Pologne (Paul Speyer), Rapport sur la Lingiade de Stockholm (R. Schuerman) en Essais (Raoul Grimard). In de eerste oorlogsmaanden volgen dichtbundels van Jean Sasse (Zoo en Six Poèmes), Mathieu Morel (Escale), Constant Van de Velde (Poésie de Poche), Fernand Verhesen (Le Temps Caché) en werk van Raymond Kiere (Contes Nègres) en Marcel Schiltz. Zoals hij later toegeeft, wil Rahier onder de Duitse bezetting enkel nog literaire werken en poëzie uitgeven. Non-fictie weigert hij te publiceren: dan is de toestemming van de bezetter nodig en censuur is absoluut in strijd met zijn vrijheidsideaal.17

Na de zomer van 1940 trekt Fernand Rahier weer naar school. Het Lycée d’Anvers is steeds een thuis geweest voor iedereen die zich bekommert om de Franstalige cultuur in Antwerpen. De school wenst een stevige opleiding te geven zodat de afgestudeerden als Franstaligen in Vlaanderen een maatschappelijke rol kunnen opnemen. Het is niet verwonderlijk dat dit instituut voor de Duitse bezetter én voor de collaborerende Vlaamsgezinde instanties een doorn in het oog is. Omgekeerd doet het lerarenkorps bijzonder weinig moeite om de afkeer voor de ‘Germaanse’ cultuur te verbergen.

Reeds van bij het begin van de bezetting groeit binnen de school een geest van verzet. Dit gebeurt vrij spontaan en eerder ongeorganiseerd. Zowat iedereen heeft andere motieven, al is het vervullen van de plicht voor het vaderland zowat de gemeenschappelijke noemer. Directeur Georges Voos de Ghistelles probeert al deze activiteiten onder de radar te houden maar slaagt daar niet helemaal in. Eind maart 1941 bezoeken de Duitsers de school met als doel de bibliotheek te zuiveren van ‘verderfelijke werken’. Het personeel is verbijsterd. Tegelijkertijd is het een alarmsignaal om voorzichtig te zijn. Enkele leraars zijn sinds eind 1940 immers sterk betrokken bij spionagewerk, meer bepaald bij de groep Williams-Hobben.18 Eind april 1941, enkele weken na de boekenzuivering, pakken de Duitsers de directeur en enkele collega’s op: Robert Naeye, Hubert Van Overloop, Jean Robert en Fernand Rahier. De laatste drie overleven het niet.19

Coverpagina van Adieu aux Vivants, uitgegeven in 1946 bij de eigen uitgeverij A l’enseigne du Carrousel.

Adieu aux Vivants

Fernand Rahier slaagt erin om tijdens zijn gevangenschap een dagboek bij te houden. Dat is een bijzondere prestatie. De Duitse bezetter voert hier sterke controle op uit. Bovendien is het niet eenvoudig om aan papier en schrijfmateriaal te komen. Even opmerkelijk en verbazend is het verhaal van de wijze waarop het manuscript na de oorlog uiteindelijk bij de echtgenote van Rahier is geraakt. De tekst is door Rahiers vriend André Thielemans verborgen gehouden in een opslagplaats voor kleding. Die is in de laatste oorlogsdagen alsnog het manuscript uit het oog verloren. Door een gelukkig toeval vindt een andere Belgische gevangene, Guillaume Van Bilzen, de tekst terug. Hij is erg geraakt door het verhaal en wil het absoluut aan de familie terugbezorgen. Omdat zijn naspeuringen weinig succes hebben, brengt hij het stuk binnen bij Louis Handestene, de politiecommissaris van Visé. Dankzij enkele aanwijzingen in de tekst en vooral de passages over het Lycée d’Anvers kan Handestene dit uiteindelijk aan Rahiers echtgenote Yvonne bezorgen. Zij is op 6 juni 1945 officieel geïnformeerd over het overlijden van  haar man. Het manuscript is een ongelooflijke gift voor haar.

Rahier heeft zelf instructies genoteerd voor de publicatie. Zijn echtgenote moet het uitgeven. Zij kan daarvoor best een beroep doen op zijn vrienden Jean (Sasse) en Jacques (Van Offelen). Dit tweetal krijgt van de auteur toestemming om de nodige redactionele ingrepen uit te voeren. Verder geeft Rahier, zoals het een echte uitgever betaamt, aanwijzingen over formaat en vormgeving van binnenwerk en cover. In het boek komt er best ook een portret, te tekenen door Xavier (Collet). Bij verschijning dient een promotiefolder te worden verstuurd. Rahier geeft zelf de doelgroepen aan: de klanten van de boekhandel, de ouders van de leerlingen van het Lycée en het college Marie-José, het bestuur van de A.B.E.E. (Association Belge pour l’Education et l’Enseignement) en de vaste klanten van de eigen uitgever. De pers moet worden geïnformeerd. Als titel suggereert hij in eerste instantie ‘Memorandum’ maar ook ‘Adieu aux vivants’ of ‘Legs d’un condamné à mort’ zijn mogelijk. Sasse en Van Offelen moeten hierover oordelen, zo luidt het. Zij moeten ook elk een korte inleiding op het boek schrijven.

Beide vrienden voeren deze wensen stipt uit. Sasse herdenkt Rahier in diepbeleefde poëtische bewoordingen. Van Offelen vertrekt van Célines roman Voyage au bout de la nuit en kiest voor een eerder prozaïsche stijl met aandacht voor het vrijheidsideaal. Opmerkelijk is verder een woord vooraf van de Franse auteur Georges Duhamel die als mooi eerbetoon schrijft: ‘Fernand Rahier était des nôtres, c’était un lettré, un homme de haute culture et de grand cœur.’

Het werk van Rahier is een belangrijk tijdsdocument. Naast de feitelijke beschrijving van zijn ondervragingen, gevangenschap en proces biedt het een inkijk in heel wat andere aspecten uit deze moeilijke periode. De auteur is opmerkelijk mild voor de Duitsers waarmee hij in aanraking komt (ondervragers en bewakers) en neemt hen bijzonder weinig kwalijk. De psychologie van de medegevangenen probeert hij eveneens te doorgronden. Hij heeft begrip voor hun zwaktes maar laat niet na om daar soms toch vragen bij te stellen (zeker als het om verraad gaat). Verder is duidelijk dat lezen en literatuur hem helpen om het leven in gevangenschap draaglijk te maken. Hij analyseert de vele werken die hij leest en maakt bespiegelingen over zijn eigen lot en dat van de wereld. In de mate van het mogelijke probeert hij te volgen wat er zich buiten de gevangenismuren afspeelt (zoals de Duitse inval in Rusland). Wanneer uiteindelijk zijn lot vaststaat, schrijft hij een laatste essay, een doorleefde en doordachte tekst over zichzelf en zijn leven en over wat hem te wachten staat. Onder de titel ‘Tel qu’en lui-même. Introspection’ vormen deze gedachten de laatste 20 pagina’s van Adieu Aux Vivants.

Hoewel het boek indruk maakt bij verschijning, is de uitgave net zoals de figuur van Rahier de daaropvolgende decennia in de vergetelheid geraakt. Het afbrokkelen van de francofonie in Antwerpen en het verdwijnen van het Franstalige culturele leven zijn daar niet vreemd aan. Er verschijnt nog een bijdrage over deze bijzondere intellectueel in De Vlaamse Gids maar ook bijvoorbeeld in het socialistische blad ABC, waar hij terechtkomt in de horoscooprubriek in 1949 onder het sterrenbeeld Waterman: ‘De Belgische letterkundige Fernand Rahier, vermoord door het Hitlerregime. Heftige, gevoelige psyche, steeds in beroering door haar aangeboren geestdrift voorbestemd voor het poëtische. Gij hebt de strijd tegen de leugen en de huichelarij, in de samenleving, zowel als in de literatuur, als devies voor uw banier gekozen. Uw teken leidt tot pionierschap.20

De vraag kan gesteld worden wat er zou zijn gebeurd indien hij de oorlog had overleefd. Zou hij dan net zoals zijn vrienden Van Offelen, Sasse en Coninckx toch wat actiever zijn geworden binnen de liberale politieke geledingen? Was hij teruggekeerd naar het Lycée d’Anvers en zou hij daar, als intussen meer gelouterde intellectueel, het uitdoven van de Franstalige cultuur in Antwerpen mee hebben begeleid? Of zou hij zich nog tot aan zijn laatste snik hebben ingezet om met zijn boekhandel en uitgeverij de (liberale) Franstaligen in Vlaanderen te ondersteunen? In elk geval zou zijn intellectuele en literaire erfenis onder de vlag van het vrijheidsideaal groter zijn geweest.

Frans Smits geeft daartoe een aanzet in De Vlaamse Gids in 1949: ‘Dit intiem dagboek van een door de Duitsers ter dood veroordeelde, die zijn leven gaf in de vaste overtuiging, dat hij dit hoogste offer bracht voor zijn medewerking - hoe miniem dan ook - in de strijd om voor ons de verloren vrijheid opnieuw te helpen veroveren, is een ontroerend getuigenis van één onder de velen, die hetzelfde lot beschoren waren, maar niet over de materiële of intellectuële [sic] middelen beschikten om hun gedachten en gevoelens op papier vast te leggen.’21

Bronnen, noten en/of referenties

1. La Nation Belge, 20 februari 1947.

2. Merkwaardig genoeg wordt Rahier in overzichtswerken over de geschiedenis van Le Matin meestal niet vernoemd. Komt dit omdat hij maar een gelegenheidsmedewerker is?

3. De naam van de boekhandel verwijst naar de feestzaal Harmonie die zich in de buurt bevindt, zo vermeldt een advertentie. Zie ook archixplore.com (geraadpleegd 16 mei 2025). De weduwe van Rahier houdt tot op hoge leeftijd de zaak open, aldus artikel op www.francophonie.be (geraadpleegd 17 mei 2025).

4. Gert De Prins, ‘Sluikpers. Antwerpen 1940-1944’ (licentiaatsverhandeling, UGent, 2004). Te raadplegen via www.ethesis.net.

5. Adieu aux Vivants, (Antwerpen: A l’Enseigne du Carrousel, 1946) 67.

6. Le Drapeau Rouge, 7 januari 1948.

7. Adieu aux Vivants, 45-46: ‘Je savais qu’il était un Flamand militant, un flamingant du plus bel idéalisme, et je ne lui cachai pas que je m’étais toujours trouvé de l’autre côté de la barrière, que je me sentais avant tout latin et que pour moi toute lumière venait de la latinité. Les choses étant ainsi au point, nous devinmes les plus francs amis du monde.

8. Adieu aux Vivants, 50 : « ‘“Als partijdoctrine achterhaald, lijkt het liberalisme mij te moeten overleven als een geesteshouding, omdat het, hoe verstandig en redelijk het ook is, en ook voorzichtig om te erkennen dat in een moeilijke periode de Staat, dit anonieme orgaan, het initiatief beperkt, de rechten van de zwakken of de minder begaafden beschermt en, in het algemeen, onze ondernemingen controleert en onze instincten voor verovering aan de leiband houdt, hoe natuurlijk en zelfs wenselijk het ook is dat de mens die zich uit burgerzin aan deze beperking aanpast, het gegeven toch is te beschouwen als een laatste redmiddel, als een kwaad, noodzakelijk maar eigentijds, en streeft naar de terugkeer van de vrijheid die, in wezen, het klimaat van de mens is » (vertaling met Google Translate).

9. L’Eveil schrijft op 1 december 1928  over dit blad: ‘Ce mensuel rédigé par des ‘moins de 30 ans’ est d’une originalité réelle, essentiellement belge et contient des articles excellement rédigés. L’Eveil souligne sa recommandation. Les jeunes qui pensent, la suivront avec profit.’ Exemplaren van Quand-Même zijn terug te vinden in de collectie van Liberas.

10. In de ondertitel omschreef Arts et Artistes zich als ‘Organe mensuel de Chronique et d’Information pour la Défense et la Diffusion de l’Art Théatral et de l’Amateurisme.

11. Arts et Artistes, 15 december 1931: 4. Rahier schrijft een in memoriam voor Dauvister in dat nummer en wordt tegelijkertijd aangekondigd als de nieuwe hoofdredacteur. Vanaf het volgende nummer staat zijn naam ook op de voorpagina.

12. De reeks artikelen over ‘de handelsvertegenwoordiger’ behandelt volgende thema’s: Le Représentant, dans le service de vente, Les qualités indispensable du Représentant, les obligations du Représentant, sa situation vis-à-vis du fabrikant, comment annoncer le Représentant et soutenir son effort, sa situation juridique, le Représentant Général, le Représentant en Belgique (Bureau Magazine, 1929, passim). 

13. Bureau Magazine, 1 juni 1930 en 1 augustus 1930: L’organisation de l’usine moderne.

14. L’Eveil, 1 april 1930: ‘Nous remercions ici MM. les professeurs qui ont bien voulu nous accorder leur collaboration pour ces numéros. Il nous est très agréable de voir que ceux qui ont pour mission d’instruire notre jeunesse s’intéressent à notre oeuvre et nous aident à accomplir notre programme: faire aimer notre Belgique.

15. La Métropole, 10 augustus 1930 en 1 mei 1932.

16. Le Radio, 11 juni 1933. Uitzendschema voor 16 juni 1933, 18.20 u.

17. Adieu aux Vivants, 58: ‘… sur cette question, j’étais fermement décidé à ne point déroger d’une virgule à mes principes.

18. Www.antwerpenherdenkt.be/tijdlijn (geraadpleegd, 16 mei 2025): ‘Tussen februari en april 1941 slaagt inlichtingenagent Emmanuel Hobben er in opdracht van de Britten in om enkele keren radiocontact te maken met Londen. Hij wil zo informatie over de Antwerpse haven doorspelen aan de geallieerden. Iets wat nauwelijks lukt. Het groepje rond Hobben, het netwerk ‘Williams’, verschijnt op de Duitse radar. Het verdict is zwaar. De bezetter arresteert en veroordeelt 26 medewerkers uit het Antwerpse. Tien van hen, waaronder Hobben en ook enkele auteurs van de verzetskrant Le Clan d’Estin, worden een jaar later gefusilleerd in Berlijn.’ Aan dit verhaal is Rahier meestal ook gelinkt. Zie bijvoorbeeld ook de bijdrage van Jan Laplasse, ‘De zendingen van de Britse geheime diensten (1940-1944)’ in: Wouters, Nico en Seberechts, Frank (red.). Stad in verzet: Antwerpen tijdens de Tweede Wereldoorlog (Tielt: Lannoo,  2024).

19. N., Lycée d’Anvers. Institut Rachez. Historique et activités 1901-1951 (Antwerpen, 1951).

20. ABC, 13 februari 1949.

21. De Vlaamse Gids, 33 (1949): 61.

Hoe verwijs je naar dit artikel?

Peter Laroy, "Fernand Rahier: intellectueel in het verzet", Liberas Stories, laatst gewijzigd 16/12/2025.
copy url

Colofon

Liberas Stories is een realisatie van cultuurarchief Liberas. Het werd ontwikkeld door Josworld en Webdoos naar een concept van Ruben Mantels. Aan de hand van een ‘Atlas’ en een ‘Magazine’ vertelt Liberas Stories de geschiedenis van het liberalisme en worden de collecties van Liberas gepresenteerd. Deze website werd gelanceerd in juni 2021 en is sindsdien verder uitgebouwd.

De inhoud van dit portaal is bestemd voor Liberas’ erfgoedgemeenschap, maar ook voor studenten, onderzoekers en journalisten en voor iedereen die ons erfgoed wil ontdekken. Het is geen catalogus van onze collectie: die vind je op liberas.eu.

Liberas heeft geprobeerd alle rechthebbenden op beeldmateriaal te contacteren. Personen of organisaties die zich alsnog in hun rechten voelen geschaad nemen contact op met Liberas vzw, Kramersplein 23, 9000 Gent.

Alle teksten op deze website mogen hergebruikt worden mits het overnemen van de auteurs- en bronvermelding. Alle opmerkingen met betrekking tot Liberas Stories - vragen, aanvullingen, correcties, suggesties voor nieuwe bijdragen - zijn welkom op info@liberas.eu. 

Volg ons op