Onze website gebruikt cookies om je surfervaring te verbeteren. Om deze website optimaal te gebruiken vragen we je om akkoord te gaan met ons gebruik van cookies.

Ik ga akkoord liever niet.
Voorgesteld

Journalist in revolutionaire tijden - Pierre Lebrocquy (1797-1864)

Pierre Lebrocquy wordt geboren in Gent op 1 februari 1797, twee jaar nadat een Franse bezetter de Oostenrijkse had vervangen. Zijn vader is deurwaarder bij het Gents gerechtshof en stuurt zijn zoon eerst naar het jezuïetencollege in Roeselare en vervolgens naar het Koninklijk College in Gent, waar hij zijn eerste stappen in de literatuur en de journalistiek zet.

Bart D’hondt
19 juni 2025

Les Amours d'Hylas, door Hippolyte Metdepenningen, Auguste Van Lokeren en Pierre Lebrocquy (Universiteitsbibliotheek Gent)

(Werk)student

Aan het Koninklijk College, de voorloper van het Gents Atheneum, maakt Lebrocquy kennis met enkele leeftijdgenoten die gedurende decennia een grote invloed op hem gaan uitoefenen. Samen met onder anderen Charles Manilius, Hippolyte Metdepenningen en August Van Lokeren beleeft hij de woelige tijden onder Napoleon1 en de intrede van Willem I bij de stichting van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden in 1815. Hij scherpt voor het eerst zijn pen en schrijft samen met Metdepenningen en Van Lokeren het satirisch werkje Les Amours d’Hylas. Nouvelle Gantoise, dédiée au belles. Ze beschrijven aan de hand van een reeks fictieve brieven de liefdesavonturen tussen Chloris (in de Griekse mythologie de godin van de bloemen en de natuur) en Hylas (de jonge knaap die tijdens de zoektocht naar het Gulden Vlies de geliefde van de Griekse held Herakles was). Hylas of HLM zoals hij zijn brieven ondertekende, is hun medeleerling Jean-François Lemaire, de latere hoogleraar wiskunde aan de universiteiten van Gent en Luik en van 1838 tot 1839 rector van deze laatste.2

De beide ouders van Lebrocquy zijn intussen overleden en zijn oudere broer Jean-Henri (1790-1858) neemt de opvoeding van Pierre en zus Colette over. Colette kiest voor het kloosterleven en vindt rust in de abdij van Doornzele in Evergem. Hoewel Pierre vooral geïnteresseerd blijkt in taalkunde en journalistiek, wordt hij naar de rechtenfaculteit gestuurd. De rechtenstudie ligt hem niet en hij neemt enkele sabbatjaren. Tussendoor maakt hij zijn debuut in de journalistiek. Hij gaat aan de slag bij het Letter- en Staatkundig Dagblad, een koningsgezind blad dat de taalpolitiek van Willem I promoot en waarvan de hoofdredactie in handen is van, vreemd genoeg, zijn broer Jean-Henri. Het blad wordt uitgegeven door de bekende Gentse drukker Guillaume De Busscher en Pierre komt er terecht in het gezelschap van oranjegezinden zoals Louis De Potter, Johannes Schrant en Charles Vervier. De krant slaagt er niet in om een groot publiek aan te spreken en verdwijnt na zes maanden. Jean-Henri keert terug naar de balie waar hij van een orangistisch advocaat evolueert naar een kritische patriot en belgicist en in 1830 rechter in de Gentse rechtbank van eerste aanleg wordt.3

Pierre heeft de smaak echter te pakken en vult zijn sabbatjaren met redactieklusjes links en rechts. Vanaf 1821 werkt hij als vertaler voor de Journal de Gand en tussen 1823 en 1825 is hij medewerker van de Brusselse kranten Le Courrier des Pays-Bas en vervolgens de Sentinelle du Royaume des Pays-Bas. In 1825 keert hij terug naar Gent en voltooit er zijn rechtenstudies.4

Pas afgestudeerd, schrijft hij zich in aan de Gentse balie. Zijn advocatenpraktijk wil echter niet vlotten, ondanks de steun van zijn broer. Hij zoekt zijn weg en vult zijn tijd met tijdelijke jobs. Hij adverteert met de regelmaat van de klok in de Journal de Gand waarbij hij zijn diensten aanbiedt als repetitor voor een reeks atheneumvakken (waaronder aardrijkskunde en elementaire wiskunde) en voor de opleiding in de rechten, meer specifiek voor advies en hulp bij het schrijven van eindverhandelingen, de facto wordt hij ghostwriter voor meer dan één laatstejaarsstudent.5

De journalistiek laat hij intussen niet los en hij blijft bijdragen leveren voor de Journal de Gand en de Brusselse krant Le National.

Revolutie en contrarevolutie

De Belgische onafhankelijkheid valt als een ijskoude douche over de orangisten. Lebrocquy en zijn boezemvrienden engageren zich onmiddellijk en zonder enige terughoudendheid in een strijd voor de terugkeer van koning Willem I en de reconstructie van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Deze zogenaamde orangisten vinden daarvoor in Gent het bastion bij uitstek en voeren tot in de jaren 1840 een achterhoedegevecht tegen de onafhankelijke Belgische staat. Over deze episode werd reeds veelvuldig gepubliceerd, maar de rol van Lebrocquy wordt enkel aangeraakt in het kader van de geschiedenis van Le Messager de Gand, waarover verder meer.6

We beschikken nochtans ook over zijn vele poëtische ontboezemingen uit de jaren 1830. Het begint met de bundel Etrennes poétiques aux fidèles of ‘Poetisch eindejaarsgeschenk (of kerstgeschenk) voor de getrouwen’7, vehement orangistisch en nog vol vertrouwen in een oranje toekomst. Hij signeert deze dichtbundel samen met Charles Froment maar helaas is nergens aangegeven wie exact wat schreef, we kunnen veronderstellen dat het een gezamenlijke creatieve inspanning was.

In Epitre à Léopold (p. 50-53) bijvoorbeeld gaan beiden ‘jusqu’au bout’ in een hekeldicht over de kersverse koning Leopold I, vol (gemaakt) medelijden voor zijn veel jongere koningin Louise:

In de ironische metafoor La couronne et la pantoufle. Stances à Leopold (p. 54-56) worden dan weer parallellen getrokken tussen de kroning van Leopold I en het sprookje van het beroemde glazen muiltje van Assepoester (toen nog een groene pantoffel). Kortom, tal van anti-leopoldistische stukken gecombineerd met onder meer persiflages op het Belgische volkslied, de Brabançonne, versus huldezangen voor Willem I en zijn familie met welluidende titels zoals Guillaume le Juste.

De katholieke kerk (en in het verlengde de katholieke patriotten) deelt in de brokken. In een opvallend Epitre au nouvel évêque de Gand (p.25-37) gaan Lebrocquy en Froment op ironische wijze de deïstische toer op:

Een tweede vergelijkbare bundel, getiteld Fleurs d’Orangers, verschijnt in 1838, een derde in 1839 onder de naam De Dulle Griete. Vlaemsche liedekens op den tyd. Door eenen waren Volksvriend. Deze drie bloemlezingen verstevigen zijn reputatie als orangistisch activist en zijn naambekendheid, want “Pierre Lebrocquy publie ses Fleurs d’Oranger, receuil de poésies orangistes, puis ses chansons satiriques, De Dulle Griete, dont on chantait les refrains dans les rues. Rien ne fut négligé pour confondre les patriotes.”8

Le Messager de Gand

Le Messager de Gand heeft binnen de Gentse én Belgische context steeds een aparte plaats ingenomen. Het is een krant als geen ander, die op basis van de herinneringen aan het economisch réveil onder het Hollands bewind extreem lang vasthoudt aan een bijna dogmatisch orangisme. 

Le Messager is op zich reeds een opvolger van een andere strijdvaardige krant, de Journal de Gand, die van 1815 tot 1830, gefinancierd door de regering van Willem I, als overtuigd liberaal blad ingezet wordt in de strijd tegen de Belgische unionisten. Zoals reeds gezegd, werkt Lebrocquy er samen met onder anderen Metdepenningen en Louis Jottrand, Charles Froment en Charles Durand. Hij leert er het echte vak als journalist bij Charles Froment, die terecht zijn journalistieke vader wordt genoemd.

De orangistische voorhoederol die de Journal de Gand intussen speelt tijdens de revolutie en onder het Voorlopig Bewind, ontgaat niemand. Uit schrik voor het patriottisch geweld, en uit politieke berekening - want de strijd is nog niet helemaal gestreden - verkoopt de Nederlandse regering de krant in december 1830 aan André-Benoit Stéven, die de naam wijzigt in Le Messager de Gand, en met een propere lei belooft te beginnen. Niets blijkt minder waar en de politieke lijn wordt onverkort behouden. Hiervoor staat een kernredactie onder leiding van Delrée, Froment, Lebrocquy en Manilius in.9

Het devies van Le Messager spreekt hierbij voor zich: ‘l’Ordre par la Liberté, l’Instruction et le Travail’. De zogezegde nieuwe lei brengt dan ook maar weinig zoden aan de dijk. De polarisering tussen de Gentse orangisten en patriotten neemt soms dusdanige proporties aan waardoor er meerdere zwaargewonden vallen. In 1831 wordt vanuit Gent een poging gedaan om de regering omver te werpen en de redactielokalen worden geplunderd. In die periode vlucht zowat de hele top van Le Messager naar Rijsel. De enige die ietwat overmoedig het fort blijft bemannen, is Pierre Lebrocquy. Van februari tot maart 1831 houdt hij de redactie in leven, waarna ook hij voorzichtigheidshalve tijdelijk naar Rijsel verkast. In Gent neemt de onbesuisde generaal Nielon intussen - krachtens een noodwet - het bestuur over en vestigt er een militair bewind dat met de volle steun van Brussel  onder meer Le Messager keihard aanpakt. Hij verbiedt bijdragen die het leger zouden kunnen demoraliseren en behandelt de redactie als een externe en interne vijand van de Belgische staat. Eigenaar Stéven wordt in 1832 een tijdlang opgesloten in de gevangenis waarna hij onderduikt. De redactie, intussen terug uit vrijwillige ballingschap, wordt ook opgepakt en komt in 1833 voor de rechtbank.10 Daar worden ze verdedigd door drie advocaten uit, uiteraard, orangistische hoek: Metdepenningen (die kort daarna zelf voor de rechter moet verschijnen), Eugène Van Huffel en Hippolyte Rolin.11

Lebrocquy heeft zich net op tijd uit dit strijdgewoel teruggetrokken. Eenmaal terug uit Rijsel waagt hij een poging om als advocaat aan de slag te gaan aan de Gentse balie, maar dat plan blijkt, bij gebrek aan cliënteel, zinloos. Hij laat Gent achter zich en aanvaardt een betrekking bij de Journal du Commerce de l’Anvers

Tijdelijk naar de stad aan de stroom

In de Scheldestad treft Lebrocquy een heel andere situatie dan in Gent aan. In tegenstelling tot Gent heerst in Antwerpen een veel afwachtender houding, met grote spanningen binnen de orangistische beweging zelf. Onder Willem I had Antwerpen als grootste havenstad van België en tweede grootste van het koninkrijk een uitzonderlijke bloeiperiode gekend, die de lokale handelsburgerij had verrijkt. De taal- en onderwijspolitiek van een bovendien protestantse Willem I zorgde tezelfdertijd voor een sterke oppositie binnen de rangen van de middenklasse en de burgerij. Met Den Antwerpenaer, staetkundig, godsdienstig en letterkundig nieuwsblad van de priester Jan Baptist Buelens, beschikte die anti-orangistische strekking vanaf 1829 over een heel efficiënte spreekbuis en middel tot mobiliseren.12 In september 1830 leidde dit tot een precair evenwicht tussen voor- en tegenstanders van de nieuwe staat, waarbij Antwerpen zich in een eigen bubbel terugtrok en zich bijna onverschillig tegenover beide partijen opstelde. De citadel bleef in Hollandse handen tot een Frans expeditieleger (Lebrocquy was getuige van hun terugtocht waarbij ze kort in het Gentse bivakkeerden) de Willemgezinde troepen eind 1832 tot overgave dwongen. Intussen werd niemand minder dan Charles Rogier, een van de boegbeelden van de Belgische onafhankelijkheid, gouverneur van de provincie waardoor de patriotten zich nog meer gesterkt voelden. Last but not least sloot Nederland ook de Schelde af waardoor de handel stilviel en de welvaart die de stad onder het Verenigd Koninkrijk had opgebouwd, acuut werd bedreigd.13

Lebrocquy neemt eind 1832 de leiding van de Journal du Commerce d’Anvers op zich en gaat, in nauw overleg met de Gentse orangisten, voor de hem kenmerkende scherpe pro-orangistische polemiek. Kort na zijn aankomst en de rellen in Gent duiken op 17 mei ook aan zijn deur officieren van de burgerwacht op. Zij vermoeden dat hij onderdak biedt aan de gevluchte Charles Froment. Zijn echtgenote is alleen thuis en wordt zwaar geïntimideerd door de militairen. Pas als duidelijk wordt dat Froment gevlucht is richting Lier, krijgen ze weer wat rust en kan Lebrocquy, met achter zich een heel verontrust gezin, aan de slag. De Nederlandse pers is in dezes minder terughoudend dan de Belgische en bericht hier uitgebreid over.14 Onder zijn redactionele leiding groeit het aantal abonnees tot de helft van het aantal Antwerpse kiesgerechtigden en wordt de Journal du Commerce een waardige uitdager van de patriottische pers.15 Lebrocquy slaagt er ondanks verwoede pogingen echter niet in om een sterke orangistische fractie naar analogie met de Gentse Société des Amis de l’Ordre et du Repos Publique uit de grond te stampen. In Antwerpen bestaat die fractie, geleid door Louis de Liagre, immers zo goed als exclusief uit handelaars en bankiers zonder grote politieke ambities, waardoor van een geïdeologiseerde ruggengraat en gezamenlijke doelstellingen geen sprake is. In 1836 geeft Lebrocquy zijn pogingen om een structurele verankering te vinden op en hij zoekt voor zichzelf naar een uitweg.16

Intussen zit hij niet stil. Hij blijft actief in het orangistische verenigingsleven in Antwerpen: het best gedocumenteerd is zijn rol in de Société de la Loyauté, die de Journal du Commerce gebruikt als haar spreekbuis en haar leden rekruteert bij de rijke handelsburgerij van Antwerpen.17 Onder de stichters vinden we, naast Lebrocquy, stadsarchivaris Frederik Verachter en de liberale cultuurflamingant Jan Verspreeuwen. In de statuten uit 1837, ondertekend door secretaris Lebrocquy, staat heel duidelijk dat de ‘Société de la Loyauté a pour but de resserrer entre les honnêtes gens de toutes les classes les liens d'union et d'amitié trop relâchés par suite de nos dissentions politiques. Elle est fondée pour réunir dans son sein tous les hommes modérés et amis de la tranquillité qui désirent dépenser agréablement leur loisir, loin des discussions orageuses que la divergence des opinions fait naître aujourd'hui trop souvent dans presque toutes les réunions publiques (art.1).’18 In de liederen die hij voor de ledenbanketten schrijft, klinkt die geest van universele verbroedering desondanks niet echt door. Voor een feestmaal op 24 augustus 1835 dicht hij een klaagzang over wat allemaal misloopt sinds Willem I is verdreven om dan over te schakelen op een jubellied waarin zijn terugkeer alvast wordt gefêteerd. In die hymne, getiteld Lui!, schrijft hij onder meer:19

en sluit af met een heildronk op Willem I:

In mei 1837 doet Lebrocquy zijn oproep nog eens dunnetjes over in Couplets chantés lors de l’inauguration du nouveau local de la Société de la Loyauté à Anvers waarin hij de trouw aan het huis van Oranje in tijden van ‘verraad’ bezingt (hieronder het eerste en laatste couplet):20

Ook de Société de la Loyauté wordt getroffen door de dalende populariteit van de Antwerpse orangisten en dat weerspiegelt zich in de evolutie van het ledental: van honderdzeventig leden in 1833 naar twintig in 1837. Lebrocquy kijkt verlangend terug naar Gent en in 1838 biedt die kans zich aan.

Terug naar Le Messager

De redactie van Le Messager bevindt zich in 1838 opnieuw in een acute crisis. Michel De Brialmont, aan wie Metdepenningen c.s. de voorkeur hadden gegeven om het hoofdredacteurschap op zich te nemen, blijkt tot grote verontwaardiging van de eigenaars een spion voor de regering in Brussel te zijn geworden. Hij wordt stante pede ontslagen. De redactie is opnieuw onthoofd en men kijkt richting een oude getrouwe. Voor Pierre Lebrocquy komt dit uitstekend uit en hij wordt hoofdredacteur van de meest polemiserende krant van orangistisch Gent. Achter de schermen behouden Metdepenningen en vooral Charles Manilius met vaste hand de controle over de politieke lijn van de krant, die het huisorgaan van de Société des Amis de l’Ordre et du Repos Publique en van diens opvolger, de Provinciale Kiesvereeniging, blijft. De krant evolueert nog verder richting vurig antiklerikalisme en vanaf de jaren 1840 richting compromisloos liberalisme. Lebrocquy haalt nog voor één keer zijn scherpste pen boven.21

In zijn meest uitbundig antiklerikale bundel De Dulle Griete, een ietwat misleidende titel aangezien het bijna uitsluitend gaat over schimp- en strijdliederen, af en toe verpakt in een traditioneel jasje zoals dat van het Gentse Pierke, toont Lebrocquy zich van zijn meest creatieve kant. Hij schrijft in zijn voorwoord: ‘De stukken die dezen bundel uitmaken zyn, van het begin van het belgisch patriotenspel tot in deze laetste tyden, nu het een, dan het ander, geschreven. Zy waren voor het publiek niet bestemd, en moesten, in het gedacht des schryvers, in sommige byzondere vriendenkringen alleenelyk gezongen of gelezen worden.’ Hij bundelt hier met andere woorden oude en nieuwe gezangen en schrijft hiermee Gentse geschiedenis. Zo lanceert hij in het afzonderlijk uitgegeven Liedeken gezongen op het feestmaal gegeven in de Societeyt van St.-Jooris van 22 oktober 1839 de - nu nog steeds gangbare term ‘Tsjeef’ -, naar de voornaam van toenmalig bisschop Joseph Delebecque, in het laatste couplet genoemd Tseefs kandidaete. Bij de gemeenteraadsverkiezingen in het daaropvolgende weekend van 29-30 oktober halen de orangisten nog alle zetels op één na binnen, een verpletterende nederlaag voor de tsjeven.

In hetzelfde boekje staat de oudste (bewaarde) tekst van Het Hondekot te Gent, opnieuw een schimplied over de katholieken wier verenigingslokaal op de Kouter de naam het Hondekot zou blijven behouden, in lijn met de naam Verkenskot dat de katholieken na de omwenteling van 1830 aan het verenigingsgebouw van de liberalen op de Kouter hadden gegeven. Andere teksten dragen als stichtende titels De Politieke Tiekenhaenen of het Triomflied der Politieke Paepen, de teneur is en was duidelijk.22 Dat niet iedereen liederen zoals Het Hondekot kan smaken, wordt verwoord door een van de Gentse kroniekschrijvers bij uitstek, Frans De Potter: ‘../..den naam ’t Hondekot, dien Pieter Lebrocquy trachtte te vereeuwigen in zijn nijdig schimplied, getiteld: het Hondekot te Gent. ../.. Hoe hevig toen de gemoederen in onze stad beroerd waren, kan reeds uit den titel en het eerste couplet blijken; geheel het stukje is in denzelfden trant, niet geschikt voor eene beschaafde tong, maar voor den mond van ’t gepeupel, om haat en gramschap te zaaien. De leden der Société patriotique noemt men “bloedhonden”, bestuurd door eenen “opperhond, een schrikdier, eene dulle beest, alom gehaat, veracht, gevreesd, met den schijnheiligen gouverneur tot beschermer, bassende met het hondengespuis, voor de paperij en voor een zotte dweeperij”. — Wat al grofheden, en dat alleenlijk voor menschen, die zich veroorloofd hadden anders te denken dan de schrijver van het lied!’23

In de winter van 1839 worden vredesonderhandelingen tussen België en Nederland gevoerd, wat in april van dat jaar resulteert in het Verdrag van XXIV Artikelen, dat officieel een einde aan de strijd maakt met de erkenning van een tweestatenoplossing. In de aanloop naar de ondertekening van dat verdrag blijven beide landen zoals gebruikelijk aarzelen, aftoetsen, haalbare en onhaalbare eisen stellen, kortom, het gewone proces van geven en nemen tussen staten. Bij de orangisten krijgt wanhoop de boventoon, maar ze zijn niet alleen. Er duikt verzet op in alle hoeken om de meest diverse redenen. De Kerk is misnoegd vanwege het afstaan van de katholieke gebieden in Noord-Limburg, het leger legt argumenten van eerder  patriottische aard op tafel, het statuut van Luxemburg maakt velen ongelukkig, enzoverder.

Sommigen blijven, tegen beter weten in, hopen op een kleine contrarevolutie waarbij Leopold wordt afgezet en de kroonprins van Oranje op de troon komt. Eind februari 1839 komt een actiecomité samen onder leiding van Adolphe Bartels. Gent wordt een belangrijke rol toebedacht en Metdepenningen, die mogelijks al onraad ruikt en zijn reputatie niet nog een keer in de waagschaal wil leggen, stuurt Lebrocquy als vertegenwoordiger van de Gentse orangisten naar die meeting. Er worden plannen gemaakt voor een militaire mars op Brussel onder commando van generaal Van der Meere maar dit loopt op een sisser uit. Het leger haakt af en de actievoerders staan alleen. Er vinden huiszoekingen plaats bij de leiders van het verzet, onder anderen bij Lebrocquy, maar gelukkig voor hen leidt dit alles in de euforie van de ondertekening in april niet tot sancties.24

Over de Rubicon

Lebrocquy ploetert daarna nog twee jaar verder maar is de harde strijd eigenlijk moe. Metdepenningen en zijn aanhang drijven steeds verder af richting antiklerikalisme en volharden in een bijna extremistische vorm van orangisme. Lebrocquy zoekt verzoening en matiging en neemt ontslag bij Le Messager. Hij richt een nieuwe krant op, Le Réveil de Gand, waarvan hij hoofdredacteur, uitgever en eigenaar wordt. Le Réveil profileert zich als een liberale krant en erkent de Belgische staat waarbinnen ze een kritische oppositierol zoekt. Hij kan met dank aan enkele Gentse industriëlen 40.000 frank aan startkapitaal bij elkaar brengen. Zodra Le Messager echter van zijn plannen hoort, ontbindt Metdepenningen al zijn duivels. Met een in vitriool gedrenkte pen volgt hij Le Réveil op de voet en maakt de krant en zijn hoofdredacteur met de grond gelijk. Onder druk trekken de financiers hun steun terug en als het eerste nummer van Le Réveil op 17 april 1841 verschijnt, moet Lebrocquy het zien te rooien met een kapitaal van amper 7.500 frank. In het editoriaal van zijn eerste nummer bespreekt hij het Verdrag der XXIV Artikelen en stelt dat het Verdrag het orangisme totaal irrelevant maakt en er  een nieuwe aanpak vereist is om met alle liberale krachten successen te kunnen boeken. Naar hij zelf toegeeft, wordt zijn krant echter vlug ‘broddelwerk’ aangezien hij geen medewerkers kan betalen en alles alleen moet doen, enkel zijn broer Jean Henri levert pro bono nog enkele bijdragen.25

Op 15 oktober 1841, na amper zes maanden, is het experiment voorbij. De belofte dat hij zou streven naar een politieke hergroepering die handel en nijverheid ten goede zou komen, levert hem initieel de steun van enkele vermogende Gentenaars op maar dat kan hij uiteindelijk niet waarmaken. Hij is gestart met 150 abonnees, na drie maanden vermeerderd tot 282 maar na zes maanden heeft hij er slechts 100 over, wat te weinig is om te overleven. De laatste druppel is de volgens tijdgenoten laag-bij-de-grondse aanval van Le Messager op Lebrocquys gezin. Destanberg citeert hem met de volgende woorden: ‘Alle dagen zag ik mijne arme zieke vrouw weenen, ik zag om haar de oudsten mijner kinderen tranen storten’  en hij gooit de handdoek in de ring. Hij gaat bankroet en moet toekijken hoe zijn inboedel publiek wordt verkocht.26

Willem Rogghé, later ook liberaal uitgever en schrijver, vermeldt Lebrocquy uitgebreid in zijn memoires. Rogghé is in 1841 letterzetter bij Désiré Vanderhaegen, die de Gazette van Gent uitgeeft vanuit zijn drukkerij en redactielokalen in de Veldstraat. Vanderhaeghen is Lebrocquy blijkbaar goedgezind want hij mag voor de uitgave van Le Réveil deeltijds een beroep doen op Rogghé. En ook die had toch een zekere bewondering voor Lebrocquy, over wie hij schrijft: ‘In die beroerlijke oogenblikken stond hij met koenheid zijn stuk’ en ‘Elkeen kende de liedjes van Pierke, zoo werd Lebrocquy bij het volk geheeten, een zonderlinge bijnaam voorwaar, daar hij die hem droeg, een man was van hoogen en kloeken lichaamsbouw.’ Rogghé betreurt bovendien openlijk dat de gematigde visie van Lebrocquy het niet haalde van de extremisten van Le Messager, maar in 1841 vindt Lebrocquy duidelijk nog geen steun voor die matiging.27 Pas in 1848 nemen de gematigde liberalen onder leiding van Hippolyte Rolin de macht definitief over.28

Souvenirs

Lebrocquy gaat niet bij de pakken zitten en schrijft zijn memoires. Zijn Souvenirs d’un ex-journaliste uit 1842 waarin hij de interne keuken van de orangisten, de verborgen financiering van Le Messager door Nederland en de praktijken van een aantal ex-partijgenoten aan de kaak stelt, slaan vriend en vijand met verstomming. Hedendaagse historici zoals Luc François vatten het belang van de Souvenirs samen als ‘Lebrocquy hoort bij de geschiedenis van het orangisme, niet alleen door zijn journalistieke arbeid, maar ook door zijn opzienbarende en bezwarende Souvenirs d'un ex-journaliste (1842). Hierin deed hij onthullingen over subsidies van Willem I aan het Gentse orangisme en viel hij zijn vroegere partijgenoten scherp aan.’29 Charlotte Van Hooijdonk ziet de waarde van de Souvenirs niet enkel in de blik achter de schermen over de orangistische hoogdagen en de interne keuken, maar ook in de info die geboden wordt over de coulissen van de journalistiek in die cruciale jaren en in een van die zeldzame identificeerbare gegevens, i.c. de ziel van een individuele journalist.30

Uit de memoires blijkt pure verbittering en frustratie. Hij voelt zich als toentertijd overtuigd orangist verraden door de groep rond Metdepenningen, Manilius en Brebart die hem jarenlang gebruikt zou hebben om de kolen uit het vuur te halen, rekenend op zijn populariteit in Gent, zijn stielkennis en zijn engagement in de perswereld, om hem daarna meer dan eens in de steek te laten. Het feit dat de aanvallen op Lebrocquy in Le Messager in 1841 grotendeels geschreven blijken te zijn door zijn vroegere leermeester Charles Froment, die vanuit Rijsel artikels schreef volgens de wensen van Metdepenningen, kwetst hem diep. En zo gaan de Souvenirs 139 pagina’s door, met als afsluiter twee ronduit pijnlijke (onbeantwoorde ?) brieven die hij in juni 1841 schreef aan Froment.

Volgde Le Messager hem in 1841 nog met leedvermaak en sarcasme op de binnenbladzijden, en op een meelijwekkende toon voor het discours van de teleurgestelde orangist, dan wijzigt dit prompt in april 1842. De publicatie van Souvenirs brengt Lebrocquy weer prominent op de frontpagina. Onder de titel ‘Mon premier et dernier mot de réponse’ verdedigt hoofdredacteur Louis Thonet zich tegen de aantijgingen van Lebrocquy en veroordeelt hij diens nestbevuiling.31 Generaal Van der Meere volgt met een korte reactie, en enkele dagen later publiceert de redactie dan toch nog een laatste oratio pro domo onder de titel ‘Pourquoi nous n’avons pas répondu aux accusation d’un ex-journaliste’ waarna ze de polemiek stopzetten.32

De katholieke én de gematigd liberale pers, zoals Den Vaderlander, smullen van deze controverse en van de onthullingen in de Souvenirs. Den Vaderlander, van oorsprong een Nederlandstalige, volkse uitgave van het Franstalige katholieke Gentse blad Le Catholique des Pays-Bas, sinds 1830 opgeschoven richting republikeinse en liberale gezindheid, trekt in 1842 de kaart van de gematigde liberalen en katholieken.33 Onder de titel ‘Orangistische openbaringen’ haalt die krant op de frontpagina dagenlang zwaar uit naar de oud-orangisten met vertaalde fragmenten uit de Souvenirs over onder meer de mislukte poging tot staatsgreep uit 1839 en met als hoogtepunt een hele bijlage over het ‘orangistisch verraad’.34

En de loge?

Net als Metdepenningen, Froment en hun kompanen is Lebrocquy lid van de orangistische vrijmetselaarsloge Le Septentrion. Ook voor zijn logebroeders schrijft hij liederen en  gedichten. Samen met Froment geeft hij (cfr. supra) de bundels Etrennes poétiques aux fidèles (1834) en Fleurs d’Orangers (1838) uit, gevolgd door De Dulle Griete (1839), waarin ook een aantal gelegenheidsteksten voor logegebruik zijn opgenomen. Ook een aantal losse teksten zijn bewaard, zoals Malédictions, couplets chantés à la R.L. du Sept. À l’O. de Gand le 19e jour du 1e M. 5837 chanson à l'usage des loges maçonniques indépendantes35, en deze geven kleur aan het leven achter de tempeldeuren en aan de politieke strijd die daar wordt gevoerd. Neem nu onderstaand openingsvers van de Malédictions:

Met de uitgave van zijn Souvenirs komt een abrupt einde aan de wederzijdse liefde tussen Lebrocquy en zijn loge. De venijnige aanvallen van Metdepenningen c.s. tegen Lebrocquy krijgen evident een staartje in de logetempel.

Het verhaal van zijn laatste dagen als logebroeder steunt, bij gebrek aan andere bronnen, volledig op de verslaggeving in Den Vaderlander, maar klinkt aanvaardbaar. Op 13 mei 1842 komen een twintigtal leden van de loge samen en bespreken het ‘geval Lebrocquy’. Er is onenigheid onder de ‘truweelgasten’ zoals de redacteur van dienst hen omschrijft, niet het minst omdat sommige leden toch wel vinden dat Lebrocquy minstens de kans moet krijgen om zich te verdedigen en zijn Souvenirs toe te lichten. De beslissing wordt uitgesteld.36 Een maand later, half juni 1842 wordt de knoop doorgehakt en volgt een ‘politico-maconico-boertige uytsluiting’ volgens Den Vaderlander.37 In diezelfde editie volgt een pagina verder een uitgebreid verslag over het ontslag van Lebrocquy en over de interne verscheurdheid binnen de werkplaats, waar volgens de krant een hardnekkige weerstand tegen de radicale ideeën van een kleine minderheid aan de top groeit. Maar voor Lebrocquy komt alle sympathie te laat.38

Nadagen van een journalist

Gehuwd, met negen kinderen ten laste en een bankroet achter de rug, heeft Lebrocquy dringend een nieuwe job nodig. Hij schrijft als freelancer voor de Brusselse liberale krant l’Observateur maar volgens zijn zoon Georges balanceert hij om begrijpelijke redenen op de rand van een depressie, veroorzaakt door het bijna sektarisch geweld door de laatste orangisten, ‘plus catholique que le pape’.39 Het gezin lijdt armoede, zijn onderwijscarrière (cfr. infra) komt niet van de grond en dus aanvaardt hij in 1848, tegen heug en meug, een positie als hoofdredacteur bij de Brugse krant La Patrie.

Eind april 1848 verdwijnt in Brugge de conservatief katholieke krant Nouvelliste des Flandres na interne twisten tussen eigenaars en redactie, maar er is een opvolger. Op 1 mei 1848 verschijnt het eerste nummer van La Patrie, waarvan het openingsmanifest wordt ondertekend door Pierre Lebrocquy. Hij stelt zijn nieuw project voor als Vlaams-emanciperend om de armoede te bestrijden, patriottisch ter bevordering van de handel en een steunpilaar voor de Vlaamse Beweging. Stoere taal waarbij hij ook zijn oud-kompaan Jan Perneel van bij de Réveil de Gand betrekt, maar de realiteit is anders. De facto wordt hij gebruikt. Lebrocquy wordt als geëngageerde en redactioneel heel ervaren ‘bekeerling’ door een elitaire groep van katholieke gezagsdragers, onder wie Jean-Baptiste Malou die later dat jaar bisschop van Brugge wordt, als boegbeeld naar voren geschoven. De praktische leiding leggen ze bij eigenaar Rombout Boeteman, die meerdere katholieke kranten uitgeeft.40

De vuurproef voor La Patrie laat niet op zich wachten. Op 13 juni 1848 vinden parlementsverkiezingen plaats. Lebrocquy voelt zich mogelijks als een vis in het water, dit is zijn natuurlijke habitat, maar zijn positie is niet langer vergelijkbaar met die in de jaren 1830. Hij probeert een klerikaal programma te verdedigen zonder zijn liberale roots te verloochenen en hij eindigt tussen twee stoelen in. Bij de gemeenteraadsverkiezingen in augustus 1848 zet hij La Patrie door een hardnekkig stilzwijgen helemaal buiten spel.41

Het gaat van kwaad naar erger. Perneel krijgt immers de functie van hoofdredacteur bij de liberale l’Impartial de Bruges aangeboden en hun vriendschap verandert in een open oorlog. Lebrocquy valt in zijn krant Perneel en diens collega Alphonse Bogaert frontaal aan. Lebrocquy noemt Bogaert ‘un misérable’, een schande voor de krantenwereld, waarop Bogaert hem in l’Impartial zijn orangistisch verleden aanwrijft en hem een galeiboef noemt.42 Enkele dagen later wordt Perneel volgens Den Vaderlander ‘aengerand’ in La Patrie en Den Vaderlander vermeldt - waarschijnlijk niet geheel ten onrechte - dat ‘Dezen pennestryd het brugsch publiek begint te vervelen’, wat de positie van Lebrocquy er niet op vergemakkelijkt.43

Op 20 april 1851 verlaat Lebrocquy de redactie en wordt vervangen door de Gentse katholieke journalist Amand Neut, zonder enige twijfel zo vernederd als journalist dat hij dat leven definitief opgeeft. Een eeuw later sluit de toenmalige hoofdredacteur van Het Laatste Nieuws, Marcel Stijns, een artikel over Lebrocquy af met: ‘Men mag getuigen dat hij zowel al de aantrekkelijkheden als de ondankbaarheden van het journalisme had gekend.’44

Taalkundige in de herfst van zijn leven

Op zoek naar een nieuwe baan in de eerste helft van de jaren 1840, kijkt Lebrocquy niet enkel richting pers, maar ook richting onderwijs. Hij profileert zich als een beslagen en enthousiast taalkundige en maakt snel naam. In 1844 neemt hij in de spellingoorlog met een scherp geschreven pamflet45 stelling tegen de taalparticularisten en in 1845 publiceert Lebrocquy met Analogies linguistiques. Du flamand dans ses rapports avec les autres idiomes d'origine teutonique zijn magnum opus over vergelijkende Germaanse taalkunde.46

Minister Sylvain van de Weyer is geïntrigeerd en belast Lebrocquy met een vrije leerstoel Vergelijkende Germaanse Taalkunde aan de Gentse universiteit. Op 16 mei 1846 geeft hij zijn inaugurale les, voor het eerst sinds 1830 (gedeeltelijk) in het Nederlands. Deze voordracht kan op de goedkeuring van heel wat Vlaamse boegbeelden rekenen, Willem Rogghé neemt fragmenten uit die les zelfs op in zijn memoires.47 In zijn thuisstad Gent zelf liep men niet warm voor zijn aanstelling. Den Vaderlander liet in oktober 1845 noteren dat ‘deze benoeming algemeen te Gend zou afgekeurd worden. Gelooft het gouvernement M. Lebrocquy te moeten vergelden, het ware te wenschen dat het zulks niet ten nadeele der gendsche hoogeschool zou doen.’48 De controverse rond zijn figuur verdween maar moeizaam. Zijn bijdrage aan het onderzoek van de taal werd erkend, maar andere letterkundigen zouden meer rechten hebben op een benoeming.

De toon verzacht in de daaropvolgende maanden. Lebrocquy wordt in maart 1846 vermeld in het rijtje van verdienstelijke Vlaamse letterkundigen onder wie Sleeckx en Dautzenberg en in augustus gaat de krant nog een stap verder en heeft het over ‘de achtbaerste letterkundigen van Gent, zoo als MM. Blommaert, Ledeganck, Lebrocquy, de St-Genois, Van Boeckelen en Snellaert.’49 Begin 1847 juicht ook De Eendragt, geleid door Frans Rens en Eugène Degerickx, zijn aanstelling toe.50

De plooien lijken allemaal gladgestreken maar dat is buiten de waard gerekend.

Het is een vrije - en dus onbezoldigde - cursus. Lebrocquy hoopt op een benoeming tot hoogleraar zodat hij opnieuw over een inkomen zou beschikken. Jammer genoeg voor hem verdwijnt van de Weyer van het toneel en de beslissing komt bij de liberale Belgicistische voorman Charles Rogier te liggen, die in 1847 de onderwijsdromen van Lebrocquy aan diggelen slaat. Hij weigert de benoeming te bekrachtigen, waardoor Lebrocquy in 1848 weer in de journalistiek, i.c. La Patrie, wordt gedwongen.51

Over zijn inzet als taalkundige wordt zowel in de negentiende als twintigste eeuw met lof geschreven in België en Nederland. De Gedenkbladen van Rogghé werden reeds vermeld, maar hij was slechts een onder de velen.52 Zo ook Paul Fredericq die in zijn Schets eener Geschiedenis der Vlaamse Beweging de inzet van Lebrocquy in de strijd voor de erkenning van het Nederlands als cultuurtaal looft.

In 1851 valt, als een godsgeschenk, een benoeming tot leraar in de retorica aan het stedelijk college van Nijvel in zijn schoot. Uit deze periode rest enkel zijn openingstoespraak voor het college over het taalonderwijs, daarna wordt het stil.53

In 1862 gaat hij op rust, twee jaar later overlijdt deze boeiende figuur, die een, op z’n zachtst gesteld, unieke loopbaan heeft gehad.

Bronnen, noten en/of referenties

De memoires van Lebrocquy, de Souvenirs d’un ex-journaliste (1820-1841) (Brussel: Jules Géruzet, 1842) liggen aan de basis van het grootste deel van de biografische studies over deze interessante figuur, cfr.

Frans Rens, ‘Pieter Lebrocquy’, in: Nederlands Letterkundig Jaarboekje voor 1865 (Gent: Snoeck-Ducaju, 1865) 137-158.

Paul Bergmans, ‘Lebrocquy, Pierre’, in: Biographie Nationale, dl.11, 1890-1891, kol.559-566 en Edmond Voordeckers, ‘Lebrocquy, Pierre’, in: Nationaal Biografisch Woordenboek dl.1 (Brussel: Koninklijke Academiën van België, 1964) kol.665-668.

Daniël Van Rysel, ‘Pierre Lebrocquy (Gent 1797-Nijvel 1864)’, in: Ghendtsche Tydinghen, 39, nr. 2 (maart 2010): 131-133.

Lutgart Huvenne, Proeve tot typologie van de negentiende-eeuwse Gentse journalist (Pierre Lebrocquy) (licentiaatsverhandeling, RUG, 1973) 62-107.

Het persrepertorium van: Edmond Voordeckers, Bijdrage tot de geschiedenis van de Gentse pers. Repertorium (1667-1914) (Leuven en Parijs: Ed. Nauwelaerts (Interuniversitair Centrum voor Hedendaagse Geschiedenis. Bijdragen nr.35), 1964) werd eveneens grondig doorgenomen. Naar deze bronnen wordt enkel verwezen in geval van citaten.

1. Over de slag bij Waterloo schreef Pierre Lebrocquy, ‘Le bataille de Waterloo’, in: Verzameling der zangstukken bekroond door de Koninklyke Maatschappy van Fraeie Konsten en Letterkunde te Gent, den 18 van weimaend 1816 (Gent: P.F. de Goessin-Verhaeghe, 1816) 37-42.

2. Les Amours d’Hylas. Nouvelle gantoise, dédiée aux belles (Gent, 1816); Willem Rogghé, Gedenkbladen (Gent: J. Vuylsteke (Uitgave van het Taalverbond nr.14), 1898) 196-208.

3. Christian Vandewal, ‘Liasons dangereuses aan de Gentse balie (1830-1848)’, in: Georges Martyn, Robert Sanders, Vandewal (Christian) (red.), Een Balie met een stamboom: de woelige eerste jaren van de Gentse Orde van Advocaten (Gent: Academia Press, 2012) 41-87; François (Luc), ‘Lebrocquy, Pierre’, in: DEVB, geraadpleegd op 12 februari 2025.

4. Georges Lebrocquy, ‘Notice sur Pierre Lebrocquy’, in: Revue Trimestrielle, 11, 3 (juli 1864) : 198-212.

5. Zie onder meer Luc François, ‘Van vurige en koele minnaars. Het orangisme in België in de negentiende eeuw’, in: De Negentiende Eeuw, 23, nr. 1 (1999): 36-45; Herman Balthazar, Johan Decavele, Het geheugen van Nederland in Gent (Gent: Academia Press, 2011); Els Witte, Het verloren koninkrijk. Het harde verzet van de Belgische orangisten tegen de revolutie 1820-1850 (Antwerpen: De Bezige Bij, 2014); Els Witte, Natievorming in België. Tweehonderd jaar historische representaties rond 1830 (Antwerpen: Uitgeverij Manteau, 2024).

6. Journal de Gand, 4 juni 1828.

7. Etrennes poétiques aux fidèles (Gent: D. Duvivier, 1834).

8. Victor Fris, Histoire de Gand depuis les origines jusqu'en 1913 (Gent: G. de Tavernier, 1930) 357.

9. Els Witte, Het verloren koninkrijk, 117-121.

10. Ook in de Nederlandse pers werpt dit om begrijpelijke redenen veel stof op, cfr. de Bredasche Courant, de Middelburgsche Courant en de Goesche Courant tussen 20 en 24 december 1832 op hun respectievelijke frontpagina’s.

11. Els Witte, Het verloren koninkrijk, 117-121; Bart D’hondt, Van Andriesschool tot Zondernaamstraat. Gids door 150 jaar liberaal leven in Gent (Gent: Uitgeverij Snoeck ism Liberaal Archief vzw, 2014) 215-217.

12. H. De Borger, Bijdrage tot de geschiedenis van de Antwerpse pers. Repertorium 1794-1914 (Leuven: Nauwelaers (Interuniversitair Centrum voor Hedendaagse Geschiedenis. Bijdrage 49), 1968) 157-159.

13. Steve Heylen, ‘Politiek en beleid’, in: Steve Heylen, Bart D’hondt, Donald Weber (ea), Geschiedenis van de provincie Antwerpen. Een politieke biografie (Antwerpen: Provinciebestuur Antwerpen, 2005), dl.1, 34-40; Inge Bertels, Bert de Munck, Herman Van Goethem (red.), Antwerpen. Biografie van een stad (Antwerpen: Meulenhoff/Manteau, 2010) 74-78.

14. Nederlandsche Staatscourant, 20.5.1833, p.2; Journal de la Haye, 20.5.1833, p.1; Opregte Haarlemsche Courant, 21.5.1833, p.2; Bredasche Courant, 21.5.1833, p.1; Noord-Brabander, 21.5.1833, p.3; Drentsche Courant, 24.5.1833, p.2.

15.  De Borger, Bijdrage tot de geschiedenis van de Antwerpse pers. Repertorium 1794-1914, 360-365.

16. Els Witte, Politieke machtsstrijd in en om de voornaamste Belgische steden, 1830-1848 (Brussel: Gemeente-krediet van België (Pro civitate, Historische Uitgaven nr. 37), 2 dln., 1973) 117-121.

17. H. De Borger, Bijdrage tot de geschiedenis van de Antwerpse pers. Repertorium 1794-1914, 361-365.

18. Règlement de la Société de la Loyauté (Antwerpen, 1837).

19. Fleurs d’Orangers (Gent: Van Loocke, 1838) 35-36.

20. Fleurs d’Orangers (Gent: Van Loocke, 1838) 121-124.

21. Bart D’hondt, Van Andriesschool tot Zondernaamstraat, 215-217.

22. De Dulle Griete. Vlaemsche liedekens op den tyd. Door eenen waren Volksvriend (Gent: Drukkery van F.C. Backeljau, 1839).

23. Frans De Potter, Gent van den oudsten tijd tot heden. Deel IV (Gent: Annoot-Braeckman, 1888) 405-406.

24. Els Witte, Het verloren koninkrijk, 338-346.

25. Christian Vandewal, ‘Liasons dangereuses aan de Gentse balie (1830-1848)’, 41-87; Edmond Voordeckers, Bijdrage tot de geschiedenis van de Gentse pers. Repertorium (1667-1914) (Leuven en Parijs: Ed. Nauwelaerts (Interuniversitair Centrum voor Hedendaagse Geschiedenis. Bijdragen nr.35), 1964) 413-416.

26. Désiré Destanberg, De kiezingen te Gent sedert 1830 (Gent: Ad. Herckenrath, 1910) 64-65; Christian Vandewal, ‘Liasons dangereuses aan de Gentse balie (1830-1848)’, 41-87.

27. Willem Rogghé, Gedenkbladen, 196-208.

28. Bart D’hondt, 175 jaar Gentse Liberale Associatie (Gent: Liberas, 2023) 4-8.

29. Luc François, ‘Lebrocquy, Pierre’, in: DEVB, geraadpleegd op 12 februari 2025.

30. Charlotte Van Hooijdonk, ‘Souvenirs d’un ex-journaliste: Pierre Lebrocquy et le théâtre du journalisme “belge” (1820-1830)’, in: Shaping Belgian Literature, geraadpleegd op 20 februari 2025.

31. Messager de Gand, 17 april 1842: 1.

32. Messager de Gand, 24 april 1842: 1.

33. Tom Haeck, ‘Den Vaderlander (1829-1854)’ (periodiek). In: ODIS. Record last modified date: 24 augustus 2011. Available from World Wide Web: geraadpleegd op 19 februari 2025.

34. Den Vaderlander, 15 april 1842: 1; 20 april 1842: 1 en 21 april 1842 (bijlage).

35. Els Witte, Het verloren koninkrijk, 416bis (afbeeldingenkatern) en Chansons maçonniques orangistes, geraadpleegd op 19 februari 2025.

36. Den Vaderlander, 15 mei 1842: 2.

37. Den Vaderlander, 12 juni 1842: 2.

38. Den Vaderlander, 12 juni 1842: 3.

39. Georges Lebrocquy, ‘Notice sur Pierre Lebrocquy’, 198-212.

40. Van Eenoo (Romain), ‘De initiatieven op persgebied van de Westvlaamse bisschoppen (1834-1852)’, in: Belgisch Tijdschrift voor Nieuwste Geschiedenis, 2, nr. 1 (1970): 55-99.

41. Van Eenoo (Romain). ‘Verlaging van de kiescijns en verkiezingen te Brugge, 1848’, in: Handelingen van het Genootschap voor Geschiedenis, 143, nr. 1-2: 324-357.

42. Den Vaderlander, 15.12.1848, p.1.

43. Den Vaderlander, 20.12.1848, p.2.

44. Marcel Stijns, Journalisme met verwikkelingen (Brussel: Pershuis, 1956).

45. Pierre Lebrocquy, La grande question de l'orthographe flamande réduite à de petites proportions (Brussel: Hauman, 1844).

46. Voor een uitgebreid overzicht van dit facet, zie Jean-Pierre Huysman, Pierre Lebrocquy (licentiaatsverhandeling, RUG, 1961).

47. Willem Rogghé, Gedenkbladen, 196-208.

48. Den Vaderlander, 22 oktober 1845: 2.

49. Den Vaderlander, 2 augustus 1846: 3.

50. De Eendragt. Veertiendaegsch Tydschrift voor Letteren, Kunsten en Wetenschappen, 1, nr. 16 (3 januari 1847): 3.

51. Luc François, ‘Lebrocquy, Pierre’, in: DEVB, geraadpleegd op 12 februari 2025.

52. Zie onder meer: Friedrich Oetker, Le mouvement flamand (Doornik: Adolphe Delmée, 1858) 30-33; Frans Van den Weghe, Geschiedenis der Nederlandsche taalstudie in Vlaanderen (1500-1886) (Antwerpen: Boucherij, 1900) 94-96; Gustaaf Segers, Onze taal in het onderwijs (Gent: Siffer, 1904) 225; en de vele korte recensies die door Theophiel Coopman en Jan Broeckaert werden opgenomen in hun reeks Bibliographie van de Vlaamschen taalstrijd (1904-1914).

53. Pierre Lebrocquy, De l’enseignement des langues. Discours prononcé à la distribution des prix du collège communal de Nivelles le 8 aout 1852 (Brussel: Lelong, 1852); met een uitgebreide lovende recensie in De Eendragt. Veertiendaegsch Tydschrift voor Letteren, Kunsten en Wetenschappen, 7, nr. 16 (9 januari 1853): 1-2.

Hoe verwijs je naar dit artikel?

Bart D’hondt, "Journalist in revolutionaire tijden - Pierre Lebrocquy (1797-1864)", Liberas Stories, laatst gewijzigd 16/12/2025.
copy url

Colofon

Liberas Stories is een realisatie van cultuurarchief Liberas. Het werd ontwikkeld door Josworld en Webdoos naar een concept van Ruben Mantels. Aan de hand van een ‘Atlas’ en een ‘Magazine’ vertelt Liberas Stories de geschiedenis van het liberalisme en worden de collecties van Liberas gepresenteerd. Deze website werd gelanceerd in juni 2021 en is sindsdien verder uitgebouwd.

De inhoud van dit portaal is bestemd voor Liberas’ erfgoedgemeenschap, maar ook voor studenten, onderzoekers en journalisten en voor iedereen die ons erfgoed wil ontdekken. Het is geen catalogus van onze collectie: die vind je op liberas.eu.

Liberas heeft geprobeerd alle rechthebbenden op beeldmateriaal te contacteren. Personen of organisaties die zich alsnog in hun rechten voelen geschaad nemen contact op met Liberas vzw, Kramersplein 23, 9000 Gent.

Alle teksten op deze website mogen hergebruikt worden mits het overnemen van de auteurs- en bronvermelding. Alle opmerkingen met betrekking tot Liberas Stories - vragen, aanvullingen, correcties, suggesties voor nieuwe bijdragen - zijn welkom op info@liberas.eu. 

Volg ons op