Onze website gebruikt cookies om je surfervaring te verbeteren. Om deze website optimaal te gebruiken vragen we je om akkoord te gaan met ons gebruik van cookies.

Ik ga akkoord liever niet.

België ethisch gidsland. De aanloop naar de euthanasiewetgeving

In het midden van de jaren 1980 komt euthanasie bijna gelijktijdig op de maatschappelijke en op de politieke agenda terecht. Pas twee decennia later is het wettelijke kader rond euthanasie, palliatieve zorg en patiëntenrechten in België een feit.

Aankondiging van het Willemsfonds Gent van een debat over palliatieve zorg en/of euthanasie, 8 februari 1997.

De zoektocht naar een juridisch kader

Verbazingwekkend genoeg is euthanasie als onderwerp niet zo nieuw als we soms denken. De geschreven pers heeft in België aandacht voor het onderwerp sinds de jaren 1920. Met uitzondering van het Luikse Softenonproces in 1962, dat ook internationaal heel wat aandacht geniet, worden enkel buitenlandse casussen besproken en becommentarieerd. In vrijzinnige kringen is sinds de jaren 1950 een draagvlak aanwezig. Toch kunnen we euthanasie in onze contreien pas echt een maatschappelijke kwestie noemen vanaf de jaren 1980. In 1981 wordt de Association pour le Droit de Mourir dans la Dignité (ADMD) opgericht, gevolgd door de Nederlandstalige tegenhanger Recht op Waardig Sterven (RWS) in 1983. Deze twee organisaties zijn de eerste actiegroepen die zich specifiek met de problematiek van euthanasie inlaten. Naar het eind van de jaren 1980 maakt ook het Humanistisch Verbond (HV) van het recht op euthanasie een van haar hoofddoelen.1

Het eerste wetsvoorstel dat verband heeft met euthanasie, wordt door Roland Gilet (Front démocratique des francophones - FDF) neergelegd in de Senaat in 1984. Dat voorstel is uitgewerkt in samenwerking met de ADMD en wil geneesheren het recht geven om behandelingen stop te zetten. Daarbij wordt verwezen naar het concept acharnement thérapeuthique, dat we vandaag kennen als therapeutische hardnekkigheid, en naar levenstestamenten. Nu noemen we dat wilsverklaringen. Het concept van therapeutische hardnekkigheid is op dat moment nog nieuw in de Franse taal en vindt in het Nederlands pas later ingang.2 Levenstestamenten zijn documenten waarin patiënten hun wil rond bepaalde medische handelingen aangeven. Ze komen overgewaaid uit de Verenigde Staten, waar ze sinds 1967 ingang vinden.3 In België hebben die testamenten geen juridische waarde. Toch houden ADMD, RWS en HV databanken bij in de hoop te kunnen rekenen op de goede wil van artsen. In diezelfde periode bevindt euthanasie zich in België in een relatieve toestand van principiële strafbaarheid, gekoppeld aan feitelijke straffeloosheid.4 In 1988 toont een onderzoek van het Institut Universitaire de Sondage d'Opinion (INUSOP) aan dat de uitvoering van euthanasie in uitzonderlijke gevallen, gesteund wordt door 88 % van de bevolking. Dat neemt niet weg dat het taboe en ook de associatie met nazipraktijken in debatten sterk aanwezig blijft.

Het Volksbelang 4/1994, p. 3. 

Het initiatief ligt buiten de politieke wereld

Hoewel euthanasie en de bredere problematiek van levenseindebeslissingen snel aanleiding geeft tot wetsvoorstellen, is het geen politiek onderwerp. Voorstellen zijn eerder initiatieven van een klein aantal gekozenen en worden nooit behandeld. Sterker nog, het eerste wetsvoorstel uit 1984, ‘voorstel van wet betreffende de hardnekkige voortzetting van een uitzichtloze therapie’, mag dan wel ingediend zijn door een senator, de tekst zelf is volledig opgesteld én aangeleverd door twee leden van de ADMD. Politieke partijen beschikken in de jaren 1980 niet over inhoudelijke expertise en dossiers over dit onderwerp. Ook in hun positionering zijn partijen nog zeer voorzichtig. Enkel Agalev spreekt zijn steun uit voor euthanasie, terwijl de Socialistische Partij (SP) en de Partij voor Vrijheid en Vooruitgang (PVV) zich eind jaren tachtig alleen nog maar durven uit te spreken over abortus.5 Het maatschappelijke debat komt ondertussen natuurlijk wel op gang, met bijvoorbeeld de Gentse ethicus Hugo Van den Enden, tevens ondervoorzitter van RWS, als een prominent voorstander.

Aankondiging van het LVSV Gent van een debat over abortus en euthanasie met Lucienne Herman-Michielsens, Magda Aelvoet en Trees Merckx, 23 januari 1992.

Wetsvoorstellen onder embargo

In 1986 dient de Franstalige vrijzinnige liberaal Edouard Klein, op dat moment senator voor de Parti Réformateur Libéral (PRL), het ‘wetsvoorstel betreffende het recht van de ongeneeslijk zieke patiënt op een waardige dood’ in. Dit voorstel kan ten dele gezien worden als het eerste initiatief uit liberale hoek. En toch, een jaar eerder is Klein al mede-indiener van het voorstel dat getrokken wordt door de socialist Edgard d’Hose. Dat voorstel lijkt inhoudelijk sterk op dat van 1986. Ook socialist Luc Van den Bossche en Ecolo-oprichter Olivier Deleuze ondertekenen beide voorstellen.

De impact van het politieke werk is evenwel klein. Geen enkel voorstel wordt ooit geagendeerd. Na de goedkeuring van de abortuswet in 1990, die met een alternatieve meerderheid gestemd wordt, is wetgevend werk rond levenseinde bijna onmogelijk. Jean-Luc Dehaene (Christelijke Volkspartij - CVP), toenmalig premier, stelt een verbod in op het agenderen van wetsvoorstellen rond ethische dossiers.

Het Belgisch Raadgevend Comité voor Bio-ethiek

Wetsvoorstellen rond het levenseinde worden dan misschien niet behandeld, toch is het op politiek vlak niet helemaal stil rond euthanasie. We zitten immers in een periode waarin abortusproblematieken aan bod komen en waar de medische vooruitgang en de levensverlenging over de partijgrenzen heen erkend worden als een realiteit. In 1986 richt Wivina Demeester, CVP-Staatssecretaris voor Volksgezondheid en Gehandicaptenzorg, in samenwerking met de universiteiten het colloquium Bio-ethica in de jaren ’90 in. In het verslag, dat door een zeer uitgebreide groep onderzoekers wordt gepubliceerd, spendeert men maar liefst een kleine honderd pagina’s aan de ‘problematiek van het eindigende leven’. Daarin worden ethische en juridische overwegingen besproken, binnenlandse actiegroepen bevraagd en gekeken naar de situatie in het buitenland. Door de ingewikkelde staatsstructuur is de commissie geen lang leven beschoren. Toch geldt dat initiatief als de voorloper van het Belgisch Raadgevend Comité voor Bio-ethiek (BRCBE).

Het Volksbelang 10/1995, p. 1.

Dit Comité heeft tot doel adviezen te verlenen aan parlementsleden en ministers, die hiervan gebruik kunnen maken om een (onderbouwd) standpunt in te nemen in delicate materies, waarin waardenconflicten vaak niet herleidbaar zijn tot eenvoudige standpunten. De organisatie van het Comité is samengesteld met respect voor de gelijke vertegenwoordiging wat betreft levensbeschouwing, geslacht en wetenschappelijke expertise. De organisatie is evenwel vooral uniek door haar besluitvormingsmodel. Er worden geen adviezen afgeleverd volgens een consensusmodel, wat bij buitenlandse tegenhangers van het Comité wel gangbaar is. Het Comité heeft als opdracht alle standpunten te presenteren die in de maatschappij aanwezig zijn, met argumenten pro en contra. Daarnaast verstrekt ze informatie over de relevante wetenschappelijke inzichten. Soms blijkt het verschil tussen vrijzinnige en katholieke leden ook minder diep dan sommigen verwachten.6

Het eerste advies dat het Comité in 1997 aflevert, op vraag van de voorzitters van de Kamer en de Senaat, is gewijd aan de  wenselijkheid of noodzaak van een wetgevend kader voor euthanasie. De debatten die in die periode plaatshebben, zowel in de politieke wereld als in de media, tonen een grote kloof tussen het wetgevende kader van dat moment en de praktijk.7

Etienne Vermeersch aan het woord op het LVV-congres over ethische kwesties, 30 september 1995. Foto Marc Gysens.

VLD positioneert zich in 1995

Voor het eerste wetsvoorstel dat uitgaat van de Vlaamse Liberalen en Democraten (VLD) is het wachten op het resultaat van het congres over ethische kwesties, georganiseerd door het Liberaal Vlaams Verbond (LVV) in Brussel op 30 september 1995. De resoluties van dit congres vormen de basis voor het ‘Wetsvoorstel op de euthanasie en de palliatieve zorg’ dat Hugo Coveliers in 1996 indient. Op het congres worden de sessies ‘euthanasie en waardig levenseinde’ geleid door Etienne De Groot en Karel De Gucht.8 Een van de sprekers is Etienne Vermeersch.

De Burgerkrant 10/1995, p. 20.

De argumenten die men in de resoluties aanhaalt, liggen perfect in het verlengde van argumentaties die later de uiteindelijke wet halen. Men stelt bijvoorbeeld dat het ontbreken van een duidelijke regelgeving leidt tot clandestiniteit die zich zeker in de praktijk vertaald ziet, men vraagt zich af of medische vooruitgang alleen maar een gewenste situatie creëert, en men beschouwt het omgaan met maatschappelijke consequenties van die vooruitgang als de taak van de wetgever. Ook het zelfbeschikkingsrecht wordt door de congresleden onderschreven.

Artikel over het euthanasiedebat in Het Volksbelang 2/1997, p. 4 met portret van initiatiefnemer Etienne De Groot.

Het uiteindelijk ingediende wetsvoorstel, waarvoor De Groot heel wat werk levert, draagt een relevante vernieuwing in zich ten aanzien van voorgaande wetten. Actiegroepen en specialisten van de levenseindeproblematiek beginnen tegen het midden van de jaren negentig euthanasie steeds vaker te zien binnen het bredere spectrum van de ‘medische beslissingen bij het levenseinde’, zoals dit later wordt genoemd. Men linkt die problematiek ook uitdrukkelijk aan patiëntenrechten. Het voorstel Coveliers gaat als eerste expliciet mee die richting uit: ‘Dit voorstel heeft tot doel, enerzijds, een wettelijk kader te scheppen om een einde te maken aan de juridische onzekerheid die momenteel rond euthanasie heerst en, anderzijds, de palliatieve zorgverstrekking uit te bouwen.'9

Men verwijst naar een ‘stellingoorlog’ over grenzen tussen passieve euthanasie (vandaag palliatieve sedatie) en actieve euthanasie (levensbeëindigend handelen op verzoek van de patiënt) en tussen palliatieve zorg en euthanasie. Binnen de congresgroep is men het eens is dat die grenzen niet scherp getrokken kunnen worden.

Liberaal Reflex 1/12/1999, p. 8. 

De paarsgroene ‘vlucht vooruit’ en het titanenwerk van Jeannine Leduc

De adviezen van het Comité zorgen wel voor debatten, maar ze zijn nog niet de grote doorbraak naar het wetgevende werk. Het zijn de aardverschuivende verkiezingen van juni 1999 die het euthanasiedebat uiteindelijk laten leiden tot een wetgevend kader.10 De paarsgroene regering is de eerste in decennia die erin slaagt om de katholieke partijen naar de oppositie te verwijzen. De ethische dossiers worden ook meteen een deel van het cement dat deze nieuwe regering aan elkaar houdt. Het regeerakkoord is wat dat betreft zeer expliciet: ‘De biowetenschap en de biogeneeskunde hebben de voorbije jaren een onwaarschijnlijke vooruitgang geboekt. Fundamenteel ingrijpen op het menselijke zijn is mogelijk geworden. Toch is ons land er nog niet in geslaagd om hiervoor een wet- en regelgeving uit te werken die past in een pluralistische, moderne en democratische maatschappij. Het Parlement moet zijn volle verantwoordelijkheid kunnen opnemen wat deze thema's betreft en dit op basis van ieders individueel geweten en overtuiging, o.m. inzake euthanasie.’11

Onmiddellijk na het aantreden van de paarsgroene coalitie leggen verschillende  meerderheidspartijen samen vijf wetsvoorstellen neer rond euthanasie. De fractie van de VLD wordt in 1999 de grootste in de Senaat. Daardoor krijgt Jeannine Leduc, als fractieleider, het initiatiefrecht. Zij brengt alle meerderheidsfractieleiders samen om een consensuslijst rond de problematiek op te stellen. De vijf eerdere voorstellen worden ingetrokken en worden na intense gesprekken op 20 december 1999 vervangen door een meerderheidsvoorstel. De belangrijkste betrokkenen daarbij zijn de liberalen Leduc en De Groot, de groenen Jacintha De Roeck en Frans Lozie, socialisten Fred Erdman, Myriam Vanlerberghe en Guy Swennen, en Patrick Vankrunkelsven van de Volksunie.

Affiche van Jeannine Leduc voor de parlementsverkiezingen (Vlaams Parlement), kieskring Limburg, van 7 juni 2009.

De Burgerkrant 1/10/1999, p. 20.

Het echte debat begint dan pas. De wet wordt gestemd voor het einde van de legislatuur, maar de weg ernaartoe is nog lang. Het wetsvoorstel wordt behandeld in de gezamenlijke commissies Sociale Zaken en Justitie. Om niet beschuldigd te worden van overhaast te werk te gaan, worden hoorzittingen georganiseerd met bijvoorbeeld medisch personeel en specialisten. Het wetsvoorstel ondergaat uiteindelijk 44 hoorzittingen en meer dan 90 commissiezittingen(!).12 Het blijkt achteraf een goede zet van Leduc om een meerderheidsvoorstel in te dienen. Dat voorkomt dat de regeringspartijen zich op inhoudelijke details uit elkaar laten spelen.

Het Volksbelang 3/2001, p. 1.

De behandeling van het wetsvoorstel is zo sterk onderhevig aan vertragingsmechanismen, dat men soms vreest dat de wet niet binnen de legislatuur gestemd zal worden. Vanuit de oppositie wordt de techniek van het filibusteren toegepast (het wetgevend proces vertragen door urenlange redevoeringen), terwijl soms ook profileringsdrang van gekozenen in de regering een bepaalde rol speelt. Katholieke partijen vinden in zorgprofessionals ook vaak bondgenoten in de verdediging van palliatieve sedatie als de ‘betere’ optie tegenover euthanatisch handelen.13 Dat argument wordt historisch gezien verdedigd door tegenstanders van levensbeëindigend handelen met een katholieke signatuur. Men noemt dit ook wel de doctrine van het dubbel effect. De pijnbestrijdende medicatie van een patiënt wordt zo opgevoerd dat die uiteindelijk komt te overlijden. De uitvoerder heeft evenwel geen intentionele levensverkortende handeling gesteld, aangezien het overlijden een bijwerking van de medicatie is en geen doel op zichzelf. Voorstanders van euthanasie zien die argumentatie vaak als mensonwaardig. Ook wordt het argument van nazipraktijken de meerderheid nog steeds verweten.

Tussen mei en augustus 2002 treden uiteindelijk drie wetten rond euthanasie, palliatieve zorg en patiëntenrechten in voege die, in navolging van Nederland, van België plots een ethisch gidsland maken. Het wordt hier niet behandeld, maar de invloed van de politieke evoluties rond euthanasie in Nederland op de Belgische realiteit mag niet worden onderschat.

De paarsgroene regering houdt verder woord betreffende de behandeling van ethische dossiers en legaliseert ook het huwelijk tussen mensen van hetzelfde geslacht (2004) en adoptie door mensen van hetzelfde geslacht (2006).

Een bom onder de wet? Het euthanasieproces

Dat euthanasie een moeilijk en vooral delicaat onderwerp blijft, wordt duidelijk tijdens het assisenproces in 2020. Een tiental dagen wordt het nieuws beheerst door de zaak, terwijl ook de buitenlandse pers aandachtig toekijkt. Het proces betreft een geval van euthanasie uit 2010 bij een patiënte, Tine Nys, met een psychiatrische aandoening. In 2018 is de zaak, ingediend door de familie van Nys, doorverwezen naar assisen door de kamer van inbeschuldigingstelling. De rechtbank van Dendermonde klasseert de zaak maar die wordt in beroep weer geopend. De uitvoerende arts, Joris van Hove, is onzorgvuldig geweest in het volgen van de wettelijke procedure. De rolverdeling tussen hemzelf als behandelend arts, de huisarts van Tine en de derde arts is niet volledig duidelijk. Daarnaast krijgt Nys twee maanden voor haar dood een nieuwe diagnose van autisme. De familie stelt dat daardoor niet voldaan was aan de wettelijke voorwaarde van het uitbehandeld zijn. De zaak is aangegeven bij de evaluatiecommissie euthanasie die er geen graten in ziet. De drie artsen zijn door het assisenhof vrijgesproken van de aanklacht van vergiftiging.

In tegenstelling tot in Nederland heeft de Belgische wetgever geen strafmaat bepaald voor een onzorgvuldige uitvoering van euthanasie. Daarnaast maakt de wet geen onderscheid tussen substantiële en procedurele voorwaarden, waardoor bijvoorbeeld het doden van een patiënt zonder verzoek even zwaar weegt als fouten in de consultatieprocedure. De zenuwen bij voorstanders van de euthanasiewetgeving staan ook de hele periode strakgespannen. Een van de betrokken advocaten gaat er zelfs van uit dat de Katholieke Kerk haar invloed heeft gebruikt. De vrijspraak toont volgens ethicus Freddy Mortier evenwel aan dat in België euthanasie ondertussen ‘een verworven recht is’.14

Niels De Nutte, deMens.nu - Vrije Universiteit Brussel, 2021.

Bronnen, noten en/of referenties

1. Dit onderdeel is gebaseerd op lopend doctoraatsonderzoek. Sommige inzichten zijn gepubliceerd, andere nog niet.

2. Wivina Demeester-De Meyer, ed., Bio-ethica in de jaren 90 (Gent: Omega, 1987) 355.

3. Jennifer M. Scherer en Rita J. Simon, Euthanasia and the Right to Die. A Comparative View (New York: Rowman & Littlefield Publishers, 1999) 28.

4. Hugo Van den Enden, ‘Euthanasie in België vanuit juridisch en deontologisch oogpunt’, in: Het leven verlaten. Over euthanasie, ed. E.G.H. Kenter (Haarlem: De Toorts, 1984) 109.

5. Niels De Nutte, ‘Denken over de dood: de keuze aan het einde. Euthanasie in Vlaanderen: het denken en het engagement. Een perspectief vanuit het Humanistisch Verbond en de Unie Vrijzinnige Verenigingen’ (masterproef, VUB, 2014), 46.

6. Etienne Vermeersch, ‘Verleden en toekomst van de Belgische euthanasiewet’, in: Een goede dood. 2002-2012: tien jaar ‘controversiële’ euthanasiewet? eds. Franky Bussche en Wim Distelmans (Brussel: VUPRESS, 2012) 232-233.

7. Jacqueline Wautier, ‘L’ouverture du débat sur l’euthanasie au Sénat. Cadre éthique, médical, juridique et politique’, in: Courrier hebdomadaire du CRISP, 1672-1673 (2000), 5.

8. Liberas, Archief Liberaal Vlaams Verbond (LVV), 3 Preadviezen en ontwerpresoluties van het LVV-congres "Ethische kwesties", II. Euthanasie - Prof. Dr. Etienne De Groot & Prof. Karel De Gucht, 30 september 1995, 30-67.

9. Senaat, S.1-301, ‘Hugo Coveliers: wetsvoorstel op euthanasie en palliatieve zorg’. 

10. Bert Broeckaert, ‘Belgium: Towards a Legal Recognition of Euthanasia’, in: European Journal of Health Law, 8 (2001), 99.

11. “De brug naar de eenentwintigste eeuw – regeerakkoord – 7 juli 1999”, paragraaf 11: Ethische Vraagstukken.

12. Franky Bussche en Julie Van Garsse, ‘“Het is voor een stuk mijn levenswerk.” Een interview met de indieners van de euthanasiewet’, in: Een goede dood. 2002-2012: tien jaar ‘controversiële’ euthanasiewet? eds. Franky Bussche en Wim Distelmans (Brussel: VUPRESS, 2012) 247.

13. Jeannine Leduc, persoonlijke correspondentie met de auteur, 12.4.2021.

14. Freddy Mortier, ‘We moeten waakzaam zijn voor wetswijzigingen die de autonomie van de patiënt beperken’.

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11

Hoe verwijs je naar dit artikel?

Niels De Nutte, "België ethisch gidsland. De aanloop naar de euthanasiewetgeving", Liberas Stories, laatst gewijzigd 10/06/2021.
copy url

Colofon

Liberas Stories is een realisatie van cultuurarchief Liberas. Het werd ontwikkeld door Josworld en Webdoos naar een concept van Ruben Mantels. Aan de hand van een ‘Atlas’ en een ‘Magazine’ vertelt Liberas Stories de geschiedenis van het liberalisme en worden de collecties van Liberas gepresenteerd. Deze website werd gelanceerd in juni 2021 en is sindsdien verder uitgebouwd.

De inhoud van dit portaal is bestemd voor Liberas’ erfgoedgemeenschap, maar ook voor studenten, onderzoekers en journalisten en voor iedereen die ons erfgoed wil ontdekken. Het is geen catalogus van onze collectie: die vind je op liberas.eu.

Alle teksten op deze website mogen hergebruikt worden mits het overnemen van de auteurs- en bronvermelding. Alle opmerkingen met betrekking tot Liberas Stories - vragen, aanvullingen, correcties, suggesties voor nieuwe bijdragen - zijn welkom op info@liberas.eu. 

Volg ons op