Onze website gebruikt cookies om je surfervaring te verbeteren. Om deze website optimaal te gebruiken vragen we je om akkoord te gaan met ons gebruik van cookies.

Ik ga akkoord liever niet.

In vrijheid verbonden: De Liberale Partij en de vrijmetselarij

Vrijmetselaars en liberalen streven naar een wereld van vrijheid en tolerantie. Het is geen geheim dat heel wat lokale liberale kiesverenigingen die in 1846 aan de basis liggen van de Liberale Partij tot stand zijn gekomen door vrijmetselaarsloges. Wordt de Liberale Partij in de loop van de negentiende eeuw louter een ‘profane voorgevel’ van de Belgische vrijmetselarij? Om op deze vraag te antwoorden, laten we ons gidsen door de verzuchtingen van drie vrijmetselaars. Zij spraken zich op sleutelmomenten uit over de delicate verhouding tussen maçonnerie en liberale politiek en de verschuivingen in deze relatie.

De loges als motors van de liberale partijformatie, 1830-1854

Als tegengewicht voor de klerikale hiërarchie dient een vergelijkbare hiërarchie te worden opgericht en enkel de vrijmetselarij kan dit doel verwezenlijken. 

Pierre-Théodore Verhaegen, 18421

Pierre-Théodore Verhaegen, volksvertegenwoordiger en stichter van de Université Libre de Bruxelles, windt er in juni 1842 tijdens een feestzitting van zijn Brusselse loge Les Amis Philanthropes geen doekjes om: zijn plan is om de politieke organisatie van het liberalisme via vrijmetselaarsloges te bewerkstelligen. Er is op dat ogenblik nog geen nationale liberale partij, maar wel reeds een duidelijk onderscheiden liberale politieke groep. Inmiddels rekruteert de vrijmetselarij, mede door de bisschoppelijke veroordeling van vrijmetselaars in 1837, bijna uitsluitend in de intellectuele, commerciële en industriële burgerij waar ook het antiklerikale liberalisme zijn aanhang vindt.

Vrijmetselaars komen samen in loges of werkplaatsen, met aan het hoofd een Voorzittend Meester. Op nationaal vlak verenigen loges zich in een grootmacht of obediëntie, voorgezeten door een Grootmeester. Verhaegen ziet als talentvolle organisator snel het potentieel in van de organisatiestructuur van de vrijmetselarij om een partijapparaat tot stand te brengen en zo de machtspositie van de klerikalen te doorbreken. Hij is niet toevallig in 1833 betrokken bij de oprichting van het Grootoosten van België, waartoe de meeste loges toetreden. De Brusselse werkplaatsen werpen zich in de verkiezingsstrijd aan de hand van maçonnieke kiescomités die lijsten opstellen. De loges ondernemen acties om deze kandidaten aan te prijzen bij de gerechtigde kiezers. Dit gebeurt bijvoorbeeld door middel van publieke kiesvergaderingen die de door de Brusselse werkplaatsen goedgekeurde kandidatenkeuzes ook buiten de logetempel bekrachtigen.2

Ook in andere steden is er potentieel om initieel apolitieke loges om te vormen tot de drijvende politieke kracht van het liberalisme. In Bergen vindt Verhaegen veel steun bij de advocaat Nicolas Defuisseaux. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1839 treden in steden met actieve loges onder invloed van Verhaegen liberale kiescomités op die openbare voorbereidende kiesvergaderingen op touw zetten. Politisering hoeft weliswaar niet steeds in relatie te staan met invloed vanuit Brussel. In het Luikse voltrekt de verregaande politisering van de loges zich buiten de acties van Verhaegen om.

Het gesloten karakter van de loges vormt natuurlijk geen duurzame basis om op lange termijn tot een modern liberaal partijapparaat te komen. Niet alle liberalen willen toetreden en niet alle steden bezitten loges.3 Daarenboven is niet elke vrijmetselaar gewonnen voor de volledige politisering van de werkplaatsen. Er is tot slot bij meerdere werkplaatsen tegenstand tegen het centralistische plan om het Grootoosten als een soort nationaal partijbestuur te laten functioneren.4

Verhaegen moet dus met zijn schare luitenants ‘naar buiten treden’ om de wereld van de niet-ingewijden te betrekken en alle schakeringen van de liberale opinie te bundelen. In twee golven vormen kiescomités zich in de loop van de jaren 1840 om tot permanente partijformaties, echte lokale ‘profane’ kiesverenigingen. Natuurlijk wordt de bestaande organisatie van de vrijmetselarij hiervoor ingeschakeld. Zo richten Brusselse loges in 1841 L’Alliance op, de eerste permanente liberale vereniging die meer is dan een tijdelijk kiescomité. L’Alliance staat ook open voor militante liberalen die geen vrijmetselaar zijn. In het spoor van L’Alliance slagen vrijmetselaars in Doornik, Gent, Luik en Leuven er al snel in om blijvende liberale kiesverenigingen, met ‘polls’, statuten en lidgeld, tot stand te brengen.5 De aanwezigheid van een loge staat in de eerste eeuwhelft wel niet altijd in directe relatie met een succesvolle liberale partijformatie op lange termijn. Soms ontbreekt het, zoals in Mechelen, aan intellectueel leiderschap en daadkracht om vanuit een loge tot een liberale partijformatie te komen. De plaatselijke loge kan ook haar machtspositie binnen de liberale beweging kwijtspelen, zoals in het West-Vlaamse Ieper gebeurt.6

Standbeeld Pierre-Théodore Verhaegen, ingehuldigd in 1865 op binnenplein Université Libre de Bruxelles. Postkaart begin 20ste eeuw.

Omstreden politisering, 1854-1870

De vrijmetselarij is het hoofd en de voorhoede geworden van de liberale partij. (…) Zij moet dit werk verder verderzetten en verder uitbouwen. (…) Onze ideeën zullen uitstralen van loge tot loge. Vanuit de loges zullen zij de politieke verenigingen binnendringen.

Albert Lacroix, 18607

De liberale uitgever Albert Lacroix8 spreekt zich in 1860 als Redenaar van Les Amis Philanthropes hoopvol uit over de rol van de loges als politieke drukkingsgroepen. Het ontstaan van openbare liberale kiesverenigingen die zich in 1846 achter een gezamenlijk programma scharen, betekent inderdaad allesbehalve het einde van de politieke rol van de vrijmetselarij. De loges blijven bondgenoten van de Liberale Partij, hoewel ook zij niet ontsnappen aan de verdeeldheid in de liberale rangen. Het formeel opheffen van het verbod op politieke (en religieuze) discussies in 1854 door het Grootoosten geeft nog een extra stimulans aan loges om te functioneren als politieke pressiegroepen.9 Het afschaffen van het verbod op politieke en religieuze discussies uit het reglement formaliseert voor heel wat werkplaatsen de bestaande situatie. Toch zorgt deze statutaire herziening her en der voor onenigheden binnen de logetempels, met scheuringen en absenteïsme tot gevolg. Spanningen tussen doctrinaire en progressistische liberalen en politieke manifestatiedrang riskeren de eenheidszin en solidariteit onder de vrijmetselaars te ondermijnen.

Ook Verhaegen ziet uiteindelijk het gevaar in van de polarisering die de verdere politisering van loges in de hand werkt. Hij houdt de loges voor om te discussiëren zonder te stemmen over politieke kwesties en programma’s. Vanuit de in de jaren 1860 naar voren gebrachte basisfilosofie van het Grootoosten is er veel ruimte voor (politiek) debat in de loges. Wel brengt elke vrijmetselaar als cijnsgerechtigde kiezer uiteindelijk in volledige vrijheid zijn stem uit bij de verkiezingen en kunnen de liberale politici onder de vrijmetselaars in volledige autonomie handelen.

Hierdoor functioneren de loges in de decennia na de afschaffing van het verbod op politieke discussies vaak als ideeënlaboratoria voor het liberalisme. Ze stellen de politiek actieve vrijmetselaars in staat om de ideeën die in de loge zijn gerijpt individueel uit te dragen. Er wordt gediscussieerd over prangende maatschappelijke dossiers. Zo komt na 1854 de sociale kwestie, de materiële en morele toestand van het industriële proletariaat, en het daarmee verbonden vraagstuk rond verplicht (gelaïciseerd) onderwijs op de agenda van meerdere loges te staan.10

Maçonniek schootsvel, eerste helft negentiende eeuw.

Progressistische vrijmetselaars voelen de drang om via de loge meer actief politiek te sturen, met confrontaties tussen behoudsgezinde liberalen en jonge radicalen en scheuringen tot gevolg. In Gent komt het tot een schisma tussen progressisten en doctrinairen, met in 1866 de oprichting van de gepolitiseerde loge La Liberté, als afsplitsing van Le Septentrion, tot gevolg.  Het is in gepolitiseerde loges intussen de gewoonte om de ‘praktische’ (in tegenstelling tot de ‘theoretische’) politieke discussie te laten plaatsvinden in een aparte bijeenkomst buiten de tempel. Op deze vergaderingen bespreken de vrijmetselaars dan op vrijwillige basis de electorale acties - kandidaturen bij verkiezingen enz. - en tactieken om de lokale Liberale Associatie te sturen.11 Het blijft voor progressisten evenwel niet evident om vanuit een loge structurele invloed uit te oefenen op de politieke lijn van een plaatselijke door doctrinairen bestuurde Liberale Associatie. Vanuit progressistische hoek wordt in de jaren 1860 ook tevergeefs geprobeerd om het Grootoosten te overhalen tot de organisatie van een maçonniek politiek congres ter herziening van het liberale partijprogramma.12

Van aanzetten tot politisering op het niveau van de obediƫntie naar depolitisering, 1870-1914

De dag dat de vrijmetselarij zou tussenkomen in de interne discussies van de liberale partij om een bepaalde stroming te begunstigen, zal zij zichzelf blootstellen aan onherstelbare scheuringen. Natuurlijk ontken ik hiermee niet de nauwe banden tussen de vrijmetselarij en de partij in België. Denken we maar aan alle grote door de partij gerealiseerde hervormingen die in de schaduw van onze tempel konden rijpen.

Eugène Goblet d’Alviella, 188413

 

De liberaal Eugène Goblet d’Alviella, die zonet zijn Kamerzetel heeft verloren, is zich bij zijn aanstelling als Grootmeester van het Grootoosten in 1884 erg bewust van de ontwrichtende werking van een militant politiek en electoraal ingrijpen van de obediëntie. Anderzijds blikt hij tijdens zijn aanvaardingsspeech met enige trots terug op de maçonnieke vergadering van 1876 waar de aanwezige maçonnieke afgevaardigden ten aanzien van de verdeelde liberale partij de rangen sloten rond het onderwijsvraagstuk.

De door zevenhonderd vrijmetselaars bijgewoonde algemene vergadering van de Belgische vrijmetselarij in mei 1876 is inderdaad een belangrijk evenement. De vergadering brengt onder de hoede van het Grootoosten in de aanloop naar de verkiezingen een nagenoeg unanieme (niet-bindende) stem uit voor het principe van gelaïciseerd openbaar onderwijs, verplicht en gratis voor de lagere school. Een duidelijke boodschap ten aanzien van de doctrinaire liberale politici. De loges wordt gevraagd om wat betreft het openbaar onderwijs, het principe van verplicht, kosteloos en gedeconfessionaliseerd lager onderwijs in de profane wereld in de praktijk ingang te doen vinden. De drijvende kracht achter het congres van 1876 is niet toevallig de progressistische Gentse loge La Liberté. Ondanks het engagement van La Liberté om progressisten én doctrinairen vanuit de vrijmetselarij te binden aan een politiek programma besluit het Grootoosten later dat jaar - na de nieuwe nederlaag in de gemeenteraadsverkiezingen - opnieuw dat de vrijmetselarij geen enkel verplicht politiek programma kan opleggen.14 

Een jonge Eugène Goblet d’Alviella in 1872. Hij was op het moment van deze portretfoto al lid van de Brusselse loge Les Amis Philanthropes.

De maçonnieke vergadering van 1891 vormt een ander hoogtepunt van het politiek optreden van de vrijmetselarij in relatie tot de Liberale Partij, opnieuw op het niveau van de obediëntie via een algemene vergadering. Hoewel er binnen de maçonnieke en liberale wereld geen eensgezindheid heerst over de kiesrechtkwestie, stemt de vergadering in 1891 toch voor het principe van algemeen stemrecht. In 1893 geeft het Grootoosten zelfs nog een publiek manifest voor algemeen stemrecht uit, gemotiveerd vanuit het bewaren van de sociale vrede en het nationaal belang. De vergadering van 1891 kan aan de verdeeldheid binnen de Liberale Partij inzake uitbreiding van stemrecht niets verhelpen. Het initiatief is meteen ook de laatste grote politieke interventie van de Belgische vrijmetselarij waarin geprobeerd wordt een politieke gedragslijn op te leggen aan de partij.15 Kortom, het Grootoosten organiseert dan wel algemene vergaderingen die inspelen op de politieke actualiteit, ze kan tijdens de lange negentiende eeuw nooit de liberale partijlijn en de mandatarissen dwingend in één richting sturen. De koepelorganisatie wenst dat ook niet.

Dat net de Gentse werkplaats La Liberté vraagt om te benadrukken dat de besluiten van de vergadering van 1891 niet-dwingend zijn, is opmerkelijk. De loge stond voordien immers steeds vooraan om de obediëntie politiek te mobiliseren en druk uit te oefenen op de Liberale Partij. La Liberté wenst al in 1890 niet meer tussen te komen in electorale materies. De verscherpte politieke tegenstellingen tussen de progressisten in de werkplaats - met broeders die trouw blijven aan de Liberale Partij en broeders die op radico-socialistische lijsten prijken - dreigen anders de maçonnieke verstandhouding te ondermijnen.16 La Liberté ontsnapt hiermee niet aan het bredere depolitiseringsproces binnen de Belgische vrijmetselarij.

Er is op het einde van de eeuw inderdaad een verschuiving gaande. Er wordt nog steeds over politiek gediscussieerd in logetempels, maar actieve sturing vanuit bindende stemmingen verdwijnt naar de achtergrond. Deze evolutie wordt in de hand gewerkt door de verdere diversificatie van politieke opinies in de logetempel met de intrede van de eerste socialisten. Hierdoor wordt het steeds moeilijker een relatieve consensus over politieke kwesties in de werkplaatsen te bereiken. Verder kost de invoering van het algemeen meervoudig stemrecht in 1893 de Liberale Partij heel wat macht. Met dit nieuwe kiesstelsel en het uitgebreide kiezerskorps komt er simpelweg een einde aan de electorale invloed die vanuit de loges bewerkstelligd kan worden.17

De verkiezingen van 1912 staan in het teken van het antiklerikale kartel van liberalen en socialisten. Dit levert heftige anti-maçonnieke propaganda op in het arrondissement Roeselare.

Vrijmetselarij als politieke (f)actor op levensbeschouwelijk en ethisch gebied?

Wanneer het gaat over politieke invloed van de vrijmetselarij tonen twee dossiers langs de levensbeschouwelijke breuklijn treffend aan hoezeer we loges in de eerste plaats moeten zien als plekken van studie en debat waarin ideeën kunnen rijpen en worden geuit, ideeën die op het publieke politieke forum nog niet of moeilijk realiseerbaar zijn. Wat betreft de kerkhovenkwestie stelt de Brusselse loge Les Vrais Amis de l’Union et du Progrès Réunis in 1869 na de nodige discussies een petitie op. In de petitie roepen de Brusselse vrijmetselaars de Kamer van Volksvertegenwoordigers op om via een wet een einde te maken aan de stigmatiserende interne indeling van begraafplaatsen volgens geloofsovertuiging. Het liberale kabinet, met vrijmetselaars onder de ministers, neemt net als de volgende liberale regeringen geen enkel wetgevend initiatief in de kwestie.18

Wat betreft de abortuswetgeving duiken reeds in de jaren 1930 in verschillende loges pleidooien op voor de depenalisering van abortus. Vooral werkplaatsen van Le Droit Humain engageren zich hier na de Tweede Wereldoorlog in, lang voor abortus een politiek strijdpunt wordt in de jaren 1970. Le Droit Humain ziet in 1928 het levenslicht als gemengde vrijmetselaarsorde. Dat het tot 1990 duurt eer de abortuswet wordt gestemd, is opnieuw een teken van de geringe invloed van de vrijmetselarij op de politieke besluitvorming.19

De politieke invloed van de vrijmetselarij op de Liberale Partij gisteren en vandaag

De voortzetting van een reeds eerder ingezet depolitiseringsproces en de toenemende versplintering, ontnemen de loges en de obediënties in de loop van de twintigste eeuw uiteindelijk alle georganiseerde slagkracht en mobilisatiepotentieel. De doorvoering van het algemeen enkelvoudig stemrecht in 1919 schroeft het politieke belang van de vrijmetselarij nog verder terug. De uit gematigde doctrinairen bestaande liberale partijtop kiest tijdens het interbellum, met de coalitieregeringen, voor levensbeschouwelijke pacificatie. Rond de schoolkwestie worden toegevingen gedaan aan het confessioneel onderwijs, tot ongenoegen van de radicale antiklerikale vleugel van de partij. Deze radicale vleugel kan in de jaren 1920 en 1930 niet rekenen op centrale politieke interventie van het Grootoosten. De obediëntie weigert bijvoorbeeld in 1933 in te gaan op de vraag van Les Amis Philanthropes om vanuit de vrijmetselarij druk te zetten op liberale ministers door hen te herinneren aan hun maçonnieke eed.20

Binnen de gefragmenteerde naoorlogse vrijmetselarij kenmerkt het maçonnieke engagement zich nog veel meer als een zaak van kleinschalige individuele actie, onafhankelijk van partijverbanden.21 De verdere vermenigvuldiging van het aantal obediënties na de Tweede Wereldoorlog maakt het volledig onmogelijk om vanuit de maçonnieke structuren een uniform politiek programma te ondersteunen.  

Postzegel uitgegeven naar aanleiding van het 200-jarig bestaan van de Leuvense loge La Constance en de Antwerpse loge Les Elèves de Themis.

Christoph De Spiegeleer, Liberas, 2021.

Bronnen, noten en/of referenties

1. Eigen vertaling van ‘à la hiérarchie cléricale il fallait opposer une hiérarchie similaire et la maçonnerie seule pouvait atteindre ce but’. Zie Els Witte en Fernand Borné, Documents relatifs à la franc-maçonnerie belge du XIXe siècle, 1830-1855 (Leuven/Parijs: Nauwelaerts, 1973) 400.

2. Els Witte, Politieke machtsstrijd in en om de voornaamste Belgische steden 1830-1848 (Brussel: Pro Civitate, 1973) 188-189, 199-200.

3. Witte, Politieke machtsstrijd, 202, 206, 209-213, 290.

4. Witte, Politieke machtsstrijd, 207, 209-213.

5. Eliane Gubin en Jean-Pierre Nandrin, ‘1846-1878. Het liberale en burgerlijke België’, in: Nieuwe Geschiedenis van België, eds. Vincent Dujardin, Michel Dumoulin, Emmanuel Gerard e.a. (Tielt: Lannoo, 2005) 269-270; Witte, Politieke machtsstrijd, 292-293, 295.

6. Herwig de Lannoy, ‘“De schandigste en hatelykste partygeest”. Opiniegroepen en partijvorming in de stad Mechelen (1826-1860)’, in: Belgisch Tijdschrift voor Nieuwste Geschiedenis, 45, nr. 1 (2015): 97, 108;  Paul Vandenbussche, ‘De Ieperse Vrijmetselaarsloge ‘Amicitia’ (1838-1854)’, in: Iepers Kwartier, 23, nr. 2-3 (1987): 77-80.

7. Vertaling van ‘La maçonnerie est devenue la tête et l’avant-garde du parti libéral en Belgique. (…) Elle doit continuer cette oeuvre et la développer. (…) Nos idées rayonneront de loge en loge. Des loges, elle pénétreront dans les associations politiques’. Geciteerd in: Marie-Rose Thielemans en Roger Desmed, ‘De steunpilaren van de liberale gedachte en actie’, in: Het Liberalisme in België. Tweehonderd jaar geschiedenis, eds. Adriaan Verhulst en Hervé Hasquin (Brussel: Uitgeverij Delta, 1989) 60.

8. Voor Albert Lacroix, zie https://www.liberas.eu/albert-lacroix-uitgever-van-ketterse-boeken/

9. Witte, Politieke machtsstrijd, 305; Gubin en Nandrin, ‘1846-1878’, 284.

10. André Miroir, ‘Franc-Maçonnerie et politique en regime censitaire. Essai sur l’abrogation de l’article 135 des Status et Règlements’, in: Visages de la Franc-Maçonnerie belge du XVIIIe au XXe siècle, ed. Hervé Hasquin (Brussel: Éditions de l’Université de Bruxelles, 1983) 229-244;  Jacques Lory, Libéralisme et instruction primaire: 1842-1879. Introduction à l'étude de la lutte scolaire en Belgique (Leuven: Nauwelaerts, 1979) 268-270, 276-277.

11. Jeffrey Tyssens, ‘“Van Wijsheid met Vreugd gepaard”. Twee eeuwen vrijmetselarij in Gent en Antwerpen’, in: Van Wijsheid met Vreugd gepaard. Twee eeuwen vrijmetselarij in Gent en Antwerpen, ed. Jeffrey Tyssens (Brussel/Gent: Marot/Tijdsbeeld, 2003) 43-44.

12. Miroir, ‘Franc-Maçonnerie et politique’, 234-239.

13. Eigen vertaling van onder andere ‘Est-il besoin de rappeler que toutes les grandes réformes réalisées par le parti libéral ont été mûries à l'ombre de nos temples ?’. Zie Bulletin du Grand Orient de Belgique 5883-5884 (Brussel: Grand Orient de Belgique, 1884) 42.

14. Anaïs Maes, Flamands? Wallons? Belges et Franc-Maçons! La franc-maçonnerie et la construction d’identités nationales en Belgique au long XIXe siècle (Brussel: ASP Editions, 2016) 142, 177-179; René Vermeir en Jeffrey Tyssens, Vrijmetselarij en vooruitgang: de Gentse progressistenloge La Liberté (Brussel: ASP Editions, 2016) 32.

15. Maes, Flamands. Wallons? Belges et Franc-Maçons!, 161-163; An Macharis, ‘De Belgische vrijmetselarij en de verruiming van het stemrecht’ (licentiaatsverhandeling, VUB, 1998) 163, 165-172, 174.

16. Tyssens, ‘“Van Wijsheid met Vreugd gepaard”’, 46; Vermeir en Tyssens, Vrijmetselarij en vooruitgang, 37-40.

17. Maes, Flamands. Wallons? Belges et Franc-Maçons!, 143-144.

18. Miroir, ‘Franc-Maçonnerie et politique’, 240.

19. Jeffrey Tyssens, ‘Politisation et dépolitisation au sein de la franç-maconnerie belge, 1830-1940’, in: Cahiers Marxistes, 193 (1994): 27.

20. Jeffrey Tyssens, Strijdpunt of pasmunt? Levensbeschouwelijk links en de schoolkwestie, 1918-1940 (Brussel: VUBPress, 1993) 217- 227.

21. Tyssens, ‘“Van Wijsheid met Vreugd gepaard”’, 47.

1 2 3 4 5 6 7

Hoe verwijs je naar dit artikel?

Christoph De Spiegeleer, "In vrijheid verbonden: De Liberale Partij en de vrijmetselarij", Liberas Stories, laatst gewijzigd 10/06/2021.
copy url

Colofon

Liberas Stories is een realisatie van cultuurarchief Liberas. Het werd ontwikkeld door Josworld en Webdoos naar een concept van Ruben Mantels. Aan de hand van een ‘Atlas’ en een ‘Magazine’ vertelt Liberas Stories de geschiedenis van het liberalisme en worden de collecties van Liberas gepresenteerd. Deze website werd gelanceerd in juni 2021 en is sindsdien verder uitgebouwd.

De inhoud van dit portaal is bestemd voor Liberas’ erfgoedgemeenschap, maar ook voor studenten, onderzoekers en journalisten en voor iedereen die ons erfgoed wil ontdekken. Het is geen catalogus van onze collectie: die vind je op liberas.eu.

Alle teksten op deze website mogen hergebruikt worden mits het overnemen van de auteurs- en bronvermelding. Alle opmerkingen met betrekking tot Liberas Stories - vragen, aanvullingen, correcties, suggesties voor nieuwe bijdragen - zijn welkom op info@liberas.eu. 

Volg ons op