Onze website gebruikt cookies om je surfervaring te verbeteren. Om deze website optimaal te gebruiken vragen we je om akkoord te gaan met ons gebruik van cookies.

Ik ga akkoord liever niet.

Liberalen en ontwikkelings-samenwerking

De Belgische liberalen staan met beide voeten in de wereld. Internationale ontwikkelingen, contacten en handelsbetrekkingen eisen hun aandacht op. Maar ook op het domein van ontwikkelingssamenwerking zijn ze actief. In de jaren 1980 en begin éénentwintigste eeuw leveren de liberalen verschillende staatssecretarissen en ministers van Ontwikkelingssamenwerking. Ook richten ze vzw’s op om steun te verlenen aan ontwikkelingslanden. Welke visie volgen de liberalen hierbij?

Een voorzichtige start

Ontwikkelingssamenwerking is een relatief recent fenomeen, dat in de twintigste eeuw tot volle ontwikkeling komt. In 1919 sluit België zich aan bij de Volkenbond. Het doel is om de internationale samenwerkingsverbanden te ondersteunen en de gekoloniseerde landen bij te staan richting autonomie en onafhankelijkheid. In de periode na de Tweede Wereldoorlog worden heel wat kolonies onafhankelijk. De Verenigde Naties (VN) vaardigen in 1945 een Handvest uit waarin bepaald wordt dat de internationale instellingen de economische en sociale vooruitgang van alle volkeren dienen te bevorderen. België ondertekent dit Handvest, maar toont nog weinig interesse in de ontwikkelingsproblematiek.1

Het internationaal samenwerkingsbeleid van het Westen in deze periode wil (1) de uitbreiding van het communisme tegengaan, (2) de economische en sociale ontwikkeling bevorderen, en (3) de voedselveiligheid verzekeren. België volgt deze doelstellingen en past ze toe in zijn beleid in gekoloniseerd Congo en Rwanda-Urundi (de huidige landen Rwanda en Burundi). Naast de bilaterale ontwikkelingssamenwerking tussen België en de kolonies, zijn er ook talrijke Belgische organisaties actief die allerhande hulp verlenen. Ook zij richten zich voornamelijk, maar niet uitsluitend, op de kolonies.2

Minister van Koloniën Auguste Buisseret wordt bij zijn aankomst op de luchthaven van Leopoldstad verwelkomd door gouverneur-generaal Léon Pétillon (13 mei 1955). Foto van C. Lamote/Congopresse.  

Ontwikkelingssamenwerking komt bij de Liberale Partij voor het eerst aan bod in 1955. Op dat moment is de liberaal Auguste Buisseret minister van Koloniën en verantwoordelijk voor de kwestie. Tijdens een vergadering bespreekt het partijbureau dat de opwaardering van ontwikkelingslanden de vrede ten goede komt, maar ook gunstig is voor de afzetmarkt van de geïndustrialiseerde landen. Bilaterale en multilaterale projecten, evenals internationale samenwerking, beschouwen de liberalen daartoe als noodzakelijke initiatieven. Het daaropvolgende jaar worden het buitenlandse beleid, het koloniale beleid en de ontwikkelingssamenwerking aansluitend behandeld op het partijcongres. Op het vlak van ontwikkelingssamenwerking vraagt de Liberale Partij een gecoördineerde aanpak door West-Europa en zelfs de hele westerse wereld. Ontwikkelingssamenwerking moet onder meer de invloed van het Westen in de Arabische wereld vergroten. De liberalen stellen dat door de internationale handel en internationale investeringen te bevorderen, de algemene levensstandaard zal stijgen. Europese landen moeten daarom landen bijstaan door investeringen te doen en economische voordelen te bieden, maar ook door technische en culturele bijdragen.3

Nadruk op armoedebestrijding

In 1957 wordt tegelijk met de stichting van de Europese Economische Gemeenschap (EEG), waarvan België medestichter is, een Europees Ontwikkelingsfonds opgericht. Frankrijk en België willen met dit fonds steun bieden aan hun kolonies. Bovendien roept de VN de jaren 1960-1970 uit tot het Decennium van de Ontwikkeling. De hoop heerst dat de kloof tussen de geïndustrialiseerde landen en de zogenaamde ontwikkelingslanden gedicht zal kunnen worden.4 Voormalige koloniale grootmachten hanteren een discours van ‘verantwoordelijkheid’ en ‘solidariteit’ tegenover de voormalige kolonies. Ook België tracht een meer ‘humanitaire’ identiteit aan te nemen, waarbij het hulp aan zijn voormalige kolonie Congo als een morele verplichting ziet.5 De voormalige kolonisators gebruiken ontwikkelingshulp in deze periode vooral als een manier om greep te houden op hun voormalige kolonies. Het is de periode van de grote projecten, waarbij ontwikkelingslanden verplicht worden om hun financiële ontwikkelingssteun uit te geven in de donorlanden.6

Congolezen op studiereis in België krijgen een receptie aangeboden door minister van Koloniën Auguste Buisseret (1957). Foto R. Stalin/Inforcongo. 

De Belgische liberalen volgen deze internationale tendensen. In Het Volksbelang van 1967 stelt Leo Verbist, journalist en politicus van het Liberaal Vlaams Verbond, dat ontwikkelingshulp een morele plicht is en hoogst noodzakelijk. De samenwerking van ‘de rijke landen met de arme landen om daar de levensvoorwaarden te verbeteren’ staat voorop. Daarbij zijn initiatieven gericht op landbouw en op educatie prioritair. Verbist beschouwt ook geboortebeperking als een belangrijk middel om de honger en armoede te doen dalen.7 In 1971 publiceert Het Volksbelang het Vlaams Liberaal Manifest en stelt daarin dat ‘het ontwikkelingsbeleid […] deel uit[maakt] van een liberaal geïnspireerde politiek, omdat de welvaart in de wereld onrechtvaardig verdeeld is’. Onderontwikkeling en armoede vormen volgens de liberalen een bron van geweld. Om de kloof in het welvaartspeil te overbruggen en de vrede te bevorderen, moet daarom een beleid uitgewerkt worden dat vertrekt vanuit de noden van de ontwikkelingslanden. Daarbij mag het ontwikkelingsbeleid geen deel uitmaken van het buitenlands beleid en de handelspolitiek. Volgens Het Volksbelang moet ‘een liberaal ontwikkelingsbeleid […] globaal zijn en […] belangloos’. Transparantie en een gedegen controle van waar de ontwikkelingshulp terechtkomt zijn cruciaal.8

Ook op het PVV-partijcongres van 1974 is ontwikkelingssamenwerking een van de aandachtspunten. Daarbij ijvert de partij voor meer multilaterale dan bilaterale hulp. Ook dient er aan meerdere landen ontwikkelingssteun toegekend te worden, waarbij het koloniaal verleden minder impact heeft.9 In tegenstelling tot enkele stemmen in Het Volksbelang schaart de PVV zich wél achter een gecoördineerd beleid tussen ontwikkelingssamenwerking, buitenlandse zaken en buitenlandse handel.

De daaropvolgende jaren blijft de PVV het standpunt verdedigen dat ontwikkelingssteun vooral de armste landen en bevolkingsgroepen ten goede moet komen. Daartoe moet ontwikkelingshulp sterker georiënteerd worden naar armoedebestrijding, de invulling van de basisbehoeften, de verhoging van de levensstandaard en de deelname van de volledige bevolking aan de politiek, de economie en de culturele activiteiten. De ‘mogelijkheid om voor zichzelf te zorgen’ moet volgens de liberalen het doorslaggevende element zijn bij projectontwikkeling. Ze volgen de internationale koerswijziging om ontwikkelingssteun voortaan voornamelijk op plattelandsontwikkeling te richten, hoewel het bevorderen van fabrieksproductie belangrijk blijft. Kwijtschelden van schulden kan volgens de liberalen enkel gericht gebeuren, op basis van humanitaire redenen en voor de armste landen. België dient haar eerder gemaakte beloftes na te komen en 0,7 % procent van het BNP toe te kennen aan ontwikkelingshulp. Een transparant beleid en het inperken van de werkingskosten zijn daarbij van groot belang. De PVV erkent de belangrijke rol die ngo’s spelen als drukkingsgroep en om de bevolking te informeren. Daar staat tegenover dat partners uit de privésector volgens hen meer betrokken moeten worden bij projecten.10

André Kempinaire (1985). 

Ontwikkelingssamenwerking in de portefeuille van de liberalen

Ontwikkelingssamenwerking is vooral federale materie, hoewel de gewesten en gemeenschappen ook initiatieven ontplooien. De gewestelijke en de federale ontwikkelingssamenwerking verlopen niet gecoördineerd.11 Omdat het zwaartepunt van ontwikkelingssamenwerking bij het federale niveau ligt, gaan we op dit niveau verder in. De functie van minister of staatssecretaris van Ontwikkelingssamenwerking gaat tot 1981 bijna steeds naar de christendemocraten of socialisten. Van 1981 tot 1988 volgen de liberalen Jacqueline Mayence-Goossens (PRL), François-Xavier de Donnea (PRL) en André Kempinaire (PVV) elkaar op als staatssecretaris. Daarna duurt het tot 2003 voor een liberaal opnieuw een sleutelpositie binnen dit beleidsdomein inneemt. Tussen 2003 en 2020 zijn er negen ministers van Ontwikkelingssamenwerking, onder wie niet minder dan zes liberalen: achtereenvolgens Marc Verwilghen (VLD), Armand De Decker (MR), Sabine Laruelle (MR), Charles Michel (MR), Olivier Chastel (MR) en Alexander De Croo (Open Vld).

Het valt op dat de post van minister van Buitenlandse Zaken in de éénentwintigste eeuw redelijk parallel loopt met deze van Ontwikkelingssamenwerking. Wanneer een liberaal aan Franstalige zijde Buitenlandse Zaken beheert, is een Vlaamse liberaal verantwoordelijk voor Ontwikkelingssamenwerking, en omgekeerd.

Diversifiëren en beter coördineren

Jacqueline Mayence-Goossens wordt in 1981 staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, Leo Tindemans (CVP). Ontwikkelingssamenwerking is een post met weinig gewicht, omdat er als staatssecretaris geen autonome koers gevaren kan worden. Hij kan wel dienst doen als springplank. De dienst is uiteraard afhankelijk van het ministerie waaronder hij valt, maar het beleid van Ontwikkelingssamenwerking wordt daarnaast ook afgestemd met het ministercomité voor Buitenlandse Economische Betrekkingen. Toch kan de staatssecretaris eigen accenten leggen.

Mayence-Goossens stelt in een eerste persconferentie dat in haar beleid een betere toegang tot hygiëne en sanitair, de strijd tegen honger en ondervoeding, en de strijd tegen ziektes en epidemieën centraal zullen staan. Daarbij wil ze vooral projecten ondersteunen die dicht bij de bevolking staan. Ook de overdracht van technologie en infrastructuurwerken in de ontwikkelingslanden zijn belangrijk. Een persoonlijke keuze is de nadruk op de verbetering van de positie van de vrouw. Tot slot wil ze de ontwikkelingshulp diversifiëren en niet langer toespitsen op de voormalige kolonies. Volgens de staatssecretaris moet ook België meer uit de samenwerkingen kunnen halen, bijvoorbeeld met internationale ontwikkelingsbanken zoals de Wereldbank en de Europese Investeringsbank. Ontwikkelingssamenwerking en Buitenlandse Handel dienen in haar optiek dus hand in hand te gaan. Ontwikkelingssamenwerking wordt dichter verknoopt met de privésector, terwijl niet-gouvernementele organisaties (ngo’s) minder overheidsmiddelen krijgen. Hierop komt positieve commentaar vanuit de bedrijfswereld, maar aanhoudende kritiek van ngo’s en de Noord-Zuidbeweging. Wanneer Mayence-Goossens in 1983 minister wordt in de Waalse regering, wordt ze vervangen door partijgenoot François-Xavier de Donnea. Onder hem blijft het staatssecretariaat voor Ontwikkelingssamenwerking dezelfde koers varen. De rol van de ngo’s wordt bovendien verder ingeperkt.12

Het beleid van Mayence-Goossens ligt volledig in lijn met de standpunten van de PVV. De partij stelt dat ontwikkelingssamenwerking meer gediversifieerd moet gebeuren naar de noden van het ontwikkelingsland, efficiënter, minder versnipperd, met een grotere continuïteit in de projecten en met een betere coördinatie tussen verschillende donors die in een land actief zijn.13

Tijdens zijn beleidsperiode van 2007 tot 2011 zet Charles Michel de uitgezette lijn voort. Hij ijvert voor een eenvoudigere samenwerking met multilaterale organisaties en verschuift de financiële steun van gerichte projecten naar de algemene werking van deze organisaties.14

Private initiatieven

De Belgische liberalen zijn ook buiten het parlement en de regering actief op het vlak van ontwikkelingssamenwerking. Ze richten ook zelf organisaties op om hun visie in de praktijk te brengen.

Delipro - Centrum voor Ontwikkelingssamenwerking in Vrijheid en Vooruitgang wordt in 1964 opgericht als nationale organisatie onder impuls van de liberale politici Omer Vanaudenhove, Pierre Descamps en Jean Rey. Het centrum ontplooit voornamelijk in Latijns-Amerika en Afrika projecten. Dit zijn steeds gecofinancierde projecten, waarbij Delipro instaat voor een deel van de middelen, naast de inbreng van lokale, nationale of Europese instanties. Zo wordt bijvoorbeeld een uitwisselingsactie voor jonge Belgen en Tunesiërs op touw gezet, richt het in 1978 een Centrum voor Mechanische Vervolmaking op in Tunesië en financiert het er de bouw van een overdekte openbare markt. De organisatie stuurt vrijwilligers, onder wie geneeskundig personeel, leerkrachten en ingenieurs, uit naar diverse landen en staat in voor de bedeling van medicijnen en voedsel in noodsituaties.15 Daarnaast ijvert Delipro in eigen land voor sensibilisering en informatievoorziening rond ontwikkelingssamenwerking, vanuit de eigen liberaal geïnspireerde visie.

In 1983 wordt, naast Delipro, de vzw Liberalen voor Ontwikkelingssamenwerking (LIVOS) opgericht. De eerste voorzitter van de organisatie is Freddy Neyts, ondervoorzitters zijn André Kempinaire en Karel De Gucht. LIVOS wil vanuit haar liberale achtergrond de mens centraal plaatsen in het beleid. Zelfwerkzaamheid en zelfontplooiing staan daarbij voorop. Volgens LIVOS kan dit het best binnen een vrijemarkteconomie. Om mensen daarin te ondersteunen, zet ze projecten op om het lot van de armste bevolkingsgroepen te verbeteren, plaatselijk kaderpersoneel te vormen en werkgelegenheid in arme gebieden te verhogen. Via de LIVOS-newsletter communiceert de organisatie over de projecten en vraagt ze om giften.

In 1985 wordt LIVOS erkend als ngo. Hierdoor kan ze met officiële erkenning van de Belgische overheid projecten opstarten in de Derde Wereld, zoals het project Promotie van de Vrouw in Bolivia, een geneeskundig project ter preventie van aids in Tanzania en de inrichting van een psychiatrisch centrum in Burundi. Vanuit haar informatie- en vormingsopdracht verzorgt de vereniging publicaties en beleidsteksten, tentoonstellingen en infostands op onder meer partijcongressen en beurzen.

Er is een sterke band tussen LIVOS en de PVV. Vertegenwoordigers van onder meer de PVV-Jongeren, het LVSV, de PVV-Vrouwen, de ACLVB, de liberale mutualiteit en de PVV zetelen in het bestuur. LIVOS wenst de beleidslijnen, uitgezet door de PVV en meer bepaald door staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking André Kempinaire, in de praktijk te brengen. Ze ondersteunt projecten die complementair zijn met de ‘Belgische ekonomische mogelijkheden in het buitenland’, zodat ontwikkelingssamenwerking ‘een uitgesproken tweerichtingsverkeer’ wordt. Een van de projecten die volgens LIVOS perfect binnen dit plaatje passen, is het uitbouwen van een industriële, kwaliteitsvolle steenkapperij in Kaapverdië.16

Zowel Delipro als LIVOS houdt in 2005-2006 op te bestaan.

Ontwikkelingssamenwerking als win-win

In 1987 pleit Herman De Croo, op dat moment minister van Verkeerswezen en Buitenlandse Handel, voor de samenwerking tussen deze beleidsdomeinen en Ontwikkelingssamenwerking. Transport en communicatie zijn volgens hem cruciaal voor het slagen van ontwikkelingshulp. Binnen deze samenwerking wordt in verschillende Afrikaanse landen technische bijstand geleverd. Bovendien verleent België goedkope kredieten aan ontwikkelingslanden zodat zij Belgische goederen kunnen invoeren.17

Tijdens zijn mandaat als staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking van 1985 tot 1988 volgt André Kempinaire dezelfde visie. Ontwikkelingslanden kunnen sociale en economische vooruitgang boeken door het eigen initiatief en de ondernemingszin van kleine en middelgrote ondernemingen. Daarom moet ontwikkelingshulp deze activiteiten steunen. Nieuwe projectvoorstellen moeten bovendien getoetst worden aan hun complementariteit met de Belgische economische doelstellingen. Over de beleidsdomeinen heen wordt overeengekomen om bij bepaalde handelscontracten een luik opleiding te voorzien, zodat Belgische technici de werking van Belgische machines en uitrustingen kunnen aanleren aan de lokale bevolking. De uitbouw van een markteconomie is volgens de liberalen cruciaal voor het slagen van de sociale vooruitgang.18

De PVV schaart zich volledig achter ontwikkelingssamenwerking die geen eenrichtingsverkeer is maar ‘een proces van wederzijdse bijstand en hulp’. Projecten dienen steeds te vertrekken vanuit de reële noden en behoeften van de lokale bevolking en mogen niet slechts bestaan uit prestigeprojecten. Daarbij ontvangen ontwikkelingslanden technologische knowhow en ervaring, terwijl Belgische bedrijven betrokken worden en er een ‘stimulerend en veelbelovend werkterrein kunnen vinden’. Ze vinden een gediversifieerde aanpak, met bijzondere aandacht voor de landbouw, daarbij prioritair.19

De liberalen houden aan dit standpunt vast en zien ook de volgende jaren in ontwikkelingssamenwerking mogelijkheden voor de privésector. Wanneer Alexander De Croo tussen 2014 en 2020 minister van Ontwikkelingssamenwerking is, ijvert ook hij voor een nauwere samenwerking met de privésector. Daarbij staan digitalisering, transparantie, grensoverschrijdende samenwerking en efficiëntie centraal.20

Wordt goed bestuur beloond?

Gedurende de jaren '80 en '90 geeft België op consistente basis ontwikkelingsgeld aan voornamelijk Afrikaanse landen die slecht scoren op overheidsbeleid.21 Ook onder Mayence-Goossens en de Donnea is deze tendens zichtbaar. Hoewel de overheid van Zaïre (toenmalige naam van Congo) systematisch de mensenrechten schendt, blijft België ontwikkelingssteun leveren.22

Vanaf de jaren '90 ontstaat er een internationale consensus onder donorlanden dat ontwikkelingssteun deels afhankelijk gemaakt moet worden van ‘goed bestuur’. De liberale partijen scharen zich achter dit standpunt, maar in de praktijk heeft dit weinig effect. Charles Michel werkt nauw samen met de minister van Buitenlandse Zaken, Karel De Gucht, om de diplomatieke banden met Congo aan te halen en de regio te pacificeren. Zijn opvolger Olivier Chastel dreigt de samenwerking met Oeganda stop te zetten als het land homoseksualiteit zou criminaliseren.23 Maar pas onder Alexander De Croo wordt breder opgetreden tegen slecht bestuur. Verschillende ontwikkelingslanden zoals Oeganda, Burundi, de Democratische Republiek Congo en de Palestijnse Gebieden worden tijdens zijn legislatuur gesanctioneerd na schendingen van de principes van goed bestuur. Toch wordt rekening gehouden met de lokale context en wordt het doel van armoedebestrijding niet uit het oog verloren. Zo wordt Rwanda niet gesanctioneerd, aangezien de politieke wil tot veranderingen aanwezig is en wordt de hulp in de andere regio’s deels geheroriënteerd richting ngo’s. Doordat België sterk inzet op armoedebestrijding en daarom actief is in fragiele staten, blijft het toch relatief veel ontwikkelingsgeld geven aan landen waar corruptie en de beknotting van politieke en burgerlijke vrijheden schering en inslag zijn.24

Besluit

De visie en het beleid van de Belgische liberalen op het vlak van ontwikkelingssamenwerking sluiten aan bij de internationale tendensen. Hoewel het beleidsdomein weinig bewegingsruimte toelaat, proberen de liberale staatssecretarissen en ministers tijdens hun mandaat eigen accenten te leggen. Zo wensen ze vooral de armste bevolkingsgroepen te steunen en is er blijvende aandacht voor de voormalige kolonies. Daarbij ijveren de liberalen steevast voor een gecoördineerd beleid op internationaal niveau en tussen diverse beleidsdomeinen, zoals buitenlands beleid en buitenlandse handel. Bovendien wordt benadrukt dat transparantie en efficiëntie in het beleid noodzakelijk zijn. Onder de liberalen krijgt de privésector meer in de pap te brokken. Enkelen, zoals Mayence-Goossens en De Croo, besteden bijzondere aandacht aan de positie van de vrouw, terwijl bijvoorbeeld Michel initiatieven tegen seksueel geweld neemt.

Ook LIVOS ondernam specifieke projecten om de positie van de vrouw te verbeteren (LIVOS Newsletter 1984).

Kim Descheemaeker, 2021, Liberas.

Bronnen, noten en/of referenties

1. Patric Develtere en Michel Aristide, Kroniek van een halve eeuw Belgische Ontwikkelingssamenwerking (s.l.: FOD Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, [2010]) 7-8.

2. Develtere en Aristide, Kroniek, 8.

3. Liberas, Archief Liberale Partij, Verslagen, 7.14. Notulen en documenten van de vergadering van het bestendig comité, 13.3.1955, 24-25; 8.4. Vergadering van het nationaal congres, 27-28.10.1956.

4.  Develtere en Aristide, Kroniek, 4.

5. Flo Van den Broeck, ‘Belgisch humanitarisme: andere naam, zelfde imperialisme? Een onderzoek naar het Belgische discours rond mensenrechten en ontwikkelingssamenwerking (1960-1975)’ (masterproef, KU Leuven, 2018-2019) 7.

6. Jeroen Borghs, ‘De Evolutie in het Belgische Ontwikkelingsdenken’ (masterproef, UGent, 2007-2008) 7.

7. ‘Moeten zij blijven sterven?’, in: Het Volksbelang, november (1967): 2.

8. ‘Meer verstandhouding’, in: Het Volksbelang, augustus (1971): 6-7.

9. ‘Twee jaar PVV-aanwezigheid in de regering. Een balans. Vijfde congres van de PVV’, in: PVV Magazine (1.4.1976): 33.

10. PVV Ontwikkelingssamenwerking. 11/11/11-actie. Negentien antwoorden op negentien vragen aan politici. (Brussel, 1978); Liberas, Archief Lucienne Herman-Michielsens, II.7.10.33. PVV-dossier ontwikkelingssamenwerking, [1978]; ‘Ontwikkelingssamenwerking is meer dan negentiende-eeuwse armenzorg!’, in: PVV Magazine (1.12.1979): 11-15.

11. Jan Surquin, ‘Belgische ontwikkelingssamenwerking: ontvangen slecht bestuurde overheden minder ontwikkelingshulp?’ (masterproef, UGent, 2019) 14.

12. Steven Cornand, ‘Jacqueline Mayence-Goossens, staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking van 17 december 1981 tot 9 juni 1983’ (verhandeling 2de kandidatuur, UGent, 1989-1990) 9-17, 26, 30; Surquin, ‘Belgische ontwikkelingssamenwerking’, 52-53.

13. Liberas, Archief Lucienne Herman-Michielsens, II.7.8.8 Dossier m.b.t. de PVV-commissie Buitenlandse/internationale betrekkingen.

14. Corentin de Salle, ‘Vers la Paix Perpétuelle? Les libéraux, la politique étrangère & la coopération’, in: Corentin de Salle e.a., Le Parti Libérale en Belgique, 175 ans au service du Progrès (MR en Open Vld, 2021) (onder redactie op moment van raadpleging).

15. Flash, tweemaandelijks informatieblad van de vzw Delipro, nr. 1 (1981).

16. LIVOS-Newsletter, 3, nr. 4 (1988); Liberas, Archief Willemsfonds Algemeen Bestuur, NWF 1493. Documentatie m.b.t. ontwikkelingssamenwerking, 1998-1999; ‘LIVOS, Liberalen voor Ontwikkelingssamenwerking’, in: Bijlage van het Belgisch Staatsblad (15.12.1983) 5063; LIVOS-Newsletter, 2, nr. 1 (1987).

17. Herman De Croo, ‘Communicatie en coöperatie’, in: Vrijheid, maart (1987): 1-5.

18. André Kempinaire, ‘KMO’s bij ontwikkelingssamenwerking’, in: Vrijheid, maart (1987): 6-9.

19. Willy Cortois, ‘Naar een liberaal ontwikkelingsbeleid’, in: Vrijheid, maart (1987): 10-11.

20. Katrien Vanderschoot, ‘”Openaid.be”: Hoeveel geld voor ontwikkelingssamenwerking en waar komt het terecht?’, in: VRT NWS, 5.2.2019, via 

21. Surquin, ‘Belgische ontwikkelingssamenwerking’, 52-53.

22. Cornand, ‘Jacqueline Mayence-Goossens’, 26.

23. de Salle, ‘Vers la Paix Perpétuelle?’.

24. Surquin, ‘Belgische ontwikkelingssamenwerking’, 59-63.

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

Hoe verwijs je naar dit artikel?

Kim Descheemaeker, "Liberalen en ontwikkelings-samenwerking", Liberas Stories, laatst gewijzigd 09/06/2021.
copy url

Colofon

Liberas Stories is een realisatie van cultuurarchief Liberas. Het werd ontwikkeld door Josworld en Webdoos naar een concept van Ruben Mantels. Aan de hand van een ‘Atlas’ en een ‘Magazine’ vertelt Liberas Stories de geschiedenis van het liberalisme en worden de collecties van Liberas gepresenteerd. Deze website werd gelanceerd in juni 2021 en is sindsdien verder uitgebouwd.

De inhoud van dit portaal is bestemd voor Liberas’ erfgoedgemeenschap, maar ook voor studenten, onderzoekers en journalisten en voor iedereen die ons erfgoed wil ontdekken. Het is geen catalogus van onze collectie: die vind je op liberas.eu.

Liberas heeft geprobeerd alle rechthebbenden op beeldmateriaal te contacteren. Personen of organisaties die zich alsnog in hun rechten voelen geschaad nemen contact op met Liberas vzw, Kramersplein 23, 9000 Gent.

Alle teksten op deze website mogen hergebruikt worden mits het overnemen van de auteurs- en bronvermelding. Alle opmerkingen met betrekking tot Liberas Stories - vragen, aanvullingen, correcties, suggesties voor nieuwe bijdragen - zijn welkom op info@liberas.eu. 

Volg ons op