Onze website gebruikt cookies om je surfervaring te verbeteren. Om deze website optimaal te gebruiken vragen we je om akkoord te gaan met ons gebruik van cookies.

Ik ga akkoord liever niet.

Liberale partij in Franstalig België

Het zwaartepunt van de Belgische liberalen ligt lange tijd in het Franstalige landsgedeelte, zowel qua kiespubliek als organisatie. Als gevolg daarvan staat de partij tot diep in de twintigste eeuw onder invloed van Franstalige figuren. Pas in de jaren 1960 komt hierin verandering. Mede onder druk van de tijdsgeest splitst de partij als eerste politieke groepering in België op in een Vlaamse en een Franstalige vleugel. Het is de voorbode van de komst van een liberale formatie in de verschillende landsdelen. 

In Vlaanderen kan de PVV zich vrij vlug op de kaart zetten als partijorganisatie. Aan de overkant van de taalgrens neemt het proces meer tijd in beslag. Het duurt tot eind jaren 1970 vooraleer de Franstalige liberalen in België een nieuw elan vinden. In de daaropvolgende decennia legt de partij een merkwaardig parcours af. Het is in die periode opmerkelijk dat opeenvolgende sterke figuren de koers uitzetten en bijna op presidentiële wijze de partij leiden. Ook kenmerkend in die periode zijn de allianties die de liberalen aangaan met andere politieke groeperingen, met als ultieme doel de grootste politieke formatie aan Franstalige kant te worden (met nog een zeker onderscheid tussen Wallonië en Brussel). Ondanks de vaststelling dat de Franstalige socialisten net iets meer bereik hebben, breidt de MR haar draagvlak uit. In de loop van de eenentwintigste eeuw maakt de Franstalige liberale partij aanspraak op Europese topfuncties en levert ze twee premiers.

Ledenwervingscampagne.

Franstalig overwicht

De liberale congressen van 1846 en 1847 en de oprichting van de Liberale Partij zetten de liberale ideologie in het Belgische politieke landschap op de kaart. In die beginperiode is er niet meteen sprake van een strakke organisatie. Het gaat om een zogenaamde kaderpartij: de parlementsleden vormen de basis, aangevuld - in het geval van de Belgische liberalen - met vertegenwoordigers van de plaatselijke associaties. De Liberale Partij is een huis met vele kamers en vertoont een grote diversiteit. Doorheen de negentiende eeuw is de meest fundamentele tegenstelling binnen liberale kringen die tussen de meer conservatieve en de meer vooruitstrevende strekking. Een poging om in 1875 een overkoepelende Fédération des Associations Libérales in het leven te roepen (naar het model van de Fédération des Cercles catholiques et des Associations, 1864) kent geen succesvolle afloop. Een andere gelijkaardige poging in 1913 om de structuren verder uit te bouwen (oprichting van een Landsraad) kent pas voltooiing na de Eerste Wereldoorlog.

Aan Nederlandstalige zijde wordt de roep om een Vlaams liberalisme luider, met in 1913 de oprichting van het Liberaal Vlaams Verbond (LVV). Voor een groep Franstalige liberalen met oog voor de belangen van de eigen taalgroep, lijkt dit een geschikt ogenblik om zich te profileren binnen de unitaire Liberale Partij. De Entente Libérale Wallone (opgericht op 21 juni 1937) verenigt de liberale federaties, mutualiteiten, vrouwenorganisaties en jeugdafdelingen uit Wallonië. De groep profileert zich als tegenhanger van het LVV. Anders dan het LVV (dat tot op heden nog in werking is) zet de Entente haar werking stop in 1970.

Doorheen de geschiedenis spelen de Franstalige Brusselse liberalen als groep eveneens een belangrijke rol. De sterkhouders van de Parti Libéral wonen in de hoofdstad en zetten er de lijnen uit. Tot bij de totstandkoming van de Franstalige PLP in 1972 weegt de Brusselse afdeling heel zwaar door.

Tot diep in de jaren 1950 leveren de Franstalige liberalen politici die hun stempel drukken op het liberalisme in België en bij uitbreiding in de Belgische politiek: Walthère Frère-Orban (Luik), Charles Rogier (Luik, Brussel), Paul Hymans (Brussel), Albert Devèze (Brussel), Paul-Emile Janson (Brussel), Adolphe Max (Brussel), Auguste Buisseret (Luik), Jean Rey (Luik) om er maar enkele te noemen. Eenmaal de partij gestructureerder is (kort na de Eerste Wereldoorlog), zijn het ook vooral Franstaligen die leiding geven aan de partij (al heeft in de liberale traditie de voorzitter niet meteen alles voor het zeggen tot aan de Tweede Wereldoorlog). Het zijn andermaal vooral Franstalige liberale Brusselaars die in de twintigste eeuw het voorzitterschap krijgen toegewezen (Albert Devèze, Octave Dierckx, Victor de Laveleye,  Roger Motz). Emile Coulonvaux (Dinant, voorzitter 1937-1940) en Maurice Destenay (Luik, 1954-1958) vormen uitzonderingen op de regel.

 

Winst en verlies

Vanaf 1848 tot 1892 is de Liberale Partij bij iedere verkiezing de grootste in het Franstalige landsgedeelte. Die positie wordt naar het einde van de negentiende eeuw toe steeds moeilijker houdbaar. In Brussel haalt de Liberale Partij in 1884 en 1888 bijzonder slechte resultaten. De komst van het algemeen meervoudig stemrecht voor mannen (1893) veegt de liberale machtspositie in Franstalig België volledig van tafel. De groep nieuwe kiezers (die zich graag bekent tot de socialistische partij) knabbelt aan de liberale machtsbasis in streken waar de partij traditioneel sterk staat (Luik en Henegouwen (in het bijzonder Bergen)). Dankzij de evenredige vertegenwoordiging (1900) valt een licht herstel te noteren in de jaren voor de Eerste Wereldoorlog, al brengt kartelvorming met socialisten ook niet altijd wat er vooraf wordt van verhoopt.

Beeldaffiche met portretfoto's van de liberale parlementsleden, 1907.

Kunnen de liberalen in Franstalig België voor de Eerste Wereldoorlog nog rekenen op ruim een vijfde van de stemmen, dan zakt de partij tijdens het interbellum verder weg. Bij de opeenvolgende verkiezingen halen de liberalen in Brussel wel nog scores waarbij 20 tot 25 % van de kiezers op de liberale lijst stemmen. In Wallonië ligt dit toch lager en gaat het eerder in de richting van 15 tot 20 %. Overigens is dat nog steeds beter dan in Vlaanderen waar de liberalen met moeite 10 % halen. Zeker in de jaren 1930 drijven de uitslagen van de Franstalige liberalen mee op de golven van anti-Vlaamsgezindheid. Het loont duidelijk om zich met hand en tand te verzetten tegen de Vlaamse eisen en te kiezen voor harde standpunten in symbooldossiers (zoals de vernederlandsing van de Gentse universiteit of de eis tot amnestie). Het rechts-populistische Rex kaapt halfweg de jaren 1930 een deel van het liberale kiespubliek. De Franstalige liberalen gaan daarop hard in het verzet tegen Léon Degrelle. Zeker in de hoofdstedelijke context heeft dit effect.

Bij de eerste wetgevende verkiezingen na de Tweede Wereldoorlog haalt de Liberale Partij een bijzonder lage score. Gewrongen tussen links en rechts (socialisten enerzijds en christendemocraten anderzijds) en met een sterke aanwezigheid van de communisten, vertonen de liberalen een te onscherp profiel. Het verhindert hen evenwel niet om net zoals tijdens het interbellum een stevige rol te spelen in de opeenvolgende naoorlogse regeringen. Franstalige liberalen (Auguste Buisseret, Léon Mundeleer, René Lefebvre, Albert Devèze, Jean Rey, Jacques Van Offelen, Charles Moureaux) vullen in de periode 1945-1960 diverse ministerposten in. Samen met de socialisten slagen zij er ook in om het Schoolpact te ondertekenen.

Omer Vanaudenhove als voorzitter van de PVV-PLP.

Begin jaren 1960 lanceert voorzitter Omer Vanaudenhove een vernieuwingsoperatie met de oprichting van de nog steeds unitaire organisatie PVV/PLP. Hij zet ook in op verruiming en opent de partij voor confessionele kiezers. Hij kiest resoluut voor een unitaristische lijn in een periode waarin communautaire kwesties doorwegen. Meer dan in Vlaanderen heeft deze operatie succes in Wallonië en in Brussel. De liberalen integreren enkele kleine Franstalige partijen (Parti Social Indépendant, Parti Indépendant). Ze realiseren de overstap van christendemocraten zoals Joseph Moreau de Melen en Charles Poswick. Bij de verkiezingen van 1965 en 1968 overtuigen de Franstalige liberalen ongeveer een vijfde van de kiezers om voor hen te stemmen. Dat kiespubliek is nog voor een groot deel te vinden in de groepen waaruit de liberalen steeds hebben geput (middenstand, kleine burgerij). De opkomst van de Waalse en Brusselse regionalisten en de invloed die zij uitoefenen op het eigenlijke liberale kiespubliek staat echter haaks op de unitaire lijn. De Franstalige liberalen komen in zwaar weer terecht.

Nieuwe start

In 1972 voltrekt zich de definitieve scheiding tussen de Vlaamse en de Franstalige vleugel van de liberale partij. Het gevolg hiervan is een lang en moeizaam proces om tot één overkoepelende Franstalige liberale partij te komen. Op 28 mei 1972 wordt in Namen de Parti de la Liberté et du Progrès Wallon (PLPW) officieel opgericht. Emile Jeunehomme neemt het voorzitterschap op. De partij volgt een klassiek liberale lijn en ziet als communautair aspect vooral de economische ontwikkeling van Wallonië. In de hoofdstad (het liberale bolwerk bij uitstek) is het politieke liberalisme intussen volledig versplinterd. Enkele kleinere liberale partijen werken er naast elkaar, o.a. Lib-Lob van Georges Mundeleer, de PLP(D)-groep met Norbert Hougardy, Albert Demuyter en Jacques Van Offelen en de strekking Paul Delforge-Albert Snyers.

Willy De Clercq, Jean Gol en Wilfried Martens tijdens een vergadering in het IPC, 1981.

Halfweg de jaren 1970 kijken een aantal overtuigde Waalse federalisten (François Perin, Jean Gol en Etienne Knoops) in liberale richting. In 1977 gaat de PLPW samen met de federalistische partij Rassemblement Wallon en vormt de Parti pour les réformes et la liberté de Wallonie (PRLW). Onder bezieling van Jean Gol groeit drie jaar later hieruit de Parti réformateur libéral (PRL). Als voorzitter slaagt Gol er bij deze operatie in het Franstalige Brusselse liberalisme te hergroeperen. Met het Charte des libéraux réformateurs (een pleidooi voor een humanistisch liberalisme met aandacht voor menselijke ontplooiing en recht op arbeid, onderwijs en cultuur) en een duidelijk profiel op communautair vlak, profileert de PRL zich als een brede volkspartij. Doorheen de jaren 1980 is Jean Gol de man die de koers van de partij mee bepaalt en ijvert voor een brede massapartij. Hij werkt aan betere kaders, ziet ruimte voor nieuwe thema’s (zoals milieu) en verliest de communautaire agenda niet uit het oog. Voortvloeiend uit verzet tegen de communautaire St.-Michielsakkoorden gaan de PRL en het Front des Francophones (FDF) een overeenkomst aan in 1993. In de praktijk werkt de alliantie met een overlegstructuur op partijniveau en gezamenlijke lijsten en fracties in het parlement.

Na het overlijden van Jean Gol in 1995 stelt Louis Michel een herbronning (‘réfondation’) in het vooruitzicht en ontplooit meer dan ooit de ambitie om met de liberale partij de grootste speler te worden in het Franstalige politieke landschap. In zijn opzet om te komen tot een meer sociaal getint liberalisme past de toenadering in het voorjaar van 1999 tot de Mouvement des Citoyens pour le Changement (MCC) van voormalig PSC’er Gérard Deprez. Het is de start van een evolutie die onder voorzitter Daniel Ducarme in 2002 leidt tot de oprichting van de Mouvement Réformateur (MR). Ook de Duitstalige Partei für Freiheit und Fortschritt (PFF) maakt deel uit van deze nieuwe combinatie. Net zoals VLD in Vlaanderen beogen de Franstalige liberalen een hergroepering van politieke krachten. Een poging in 2004 om de Franstalige christendemocratische partij Centre démocrate Humaniste (CdH) aansluiting te laten vinden bij de MR, mislukt evenwel en blijft beperkt tot enkele individuele overstappen.

LVSV Brussel, 2015

De vernieuwde partij krijgt de wind in de zeilen. Bij de verkiezingen van 10 juni 2007 wordt de MR voor het eerst de grootste Franstalige partij. Twee jaar later rijdt voorzitter Didier Reynders zich evenwel vast in een volgende verruimingspoging (LiDé van Rudy Aernoudt). In 2011 neemt Charles Michel de fakkel over als voorzitter. Net zoals bij Open Vld leeft bij hem het idee dat de dan hangende communautaire kwesties (de kwestie Brussel-Halle-Vilvoorde) best zo snel mogelijk worden ontmijnd. Het kost de MR het verbond met het FDF dat vanaf 2011 zijn eigen weg gaat. De Franstalige liberalen verliezen het politieke leiderschap in Franstalig Belgie. Ondanks goede verkiezingsresultaten scoort de Parti Socialiste telkens net iets beter.

Klaar voor regeringswerk

De Franstalige liberale partij PLP heeft het zeker in de beginjaren moeilijk om te wegen in de Belgische regeringen. Léon Hannotte, Michel Toussaint, Louis Olivier, Claude Hubeaux, Jean Defraigne, Etienne Knoops en Charles Cornet d'Elzius krijgen een ministerpost in de opeenvolgende regeringen-Tindemans maar blijven wat onder de radar. Jean Gol zorgt voor de doorbraak. Hij geeft de Franstalige liberalen een gezicht in de regering. Van eind 1981 tot 1987 is hij vicepremier en minister van Justitie en Institutionele Hervormingen, een sterkhouder van de regeringen-Martens V, VI en VII.

De liberale partijen verdwijnen na de verkiezingen van 13 december 1987 uit de regering. Ze komen pas in de zomer van 1999 opnieuw in beeld bij de vorming van de regering Verhofstadt. Het is een retour die kan tellen. Vanaf dan maken de Franstalige liberalen deel uit van iedere federale regering van de eenentwintigste eeuw. Louis Michel is rond de eeuwwisseling de onbetwiste sterke man. Eerst als informateur en vervolgens als vicepremier neemt hij in 1999 het voortouw voor de PRL. Met de portefeuilles Buitenlandse Zaken (Louis Michel), Binnenlandse Zaken (Antoine Duquesne) en Financiën (Didier Reynders) kan de partij best tevreden zijn. In 2004 verlaat Louis Michel de Belgische politiek en trekt naar Europa. De rol voor de belangrijkste Franstalige liberale politicus komt daarop toe aan Didier Reynders. Hij bekleedt bijna 20 jaar een ministerpost in negen federale regeringen waarvan een groot deel als vicepremier. Intussen verschijnt Charles Michel op het toneel. Vanaf 2014 komt hij als jongste naoorlogse premier aan het hoofd van de zogenaamde ‘Zweedse coalitie’. In oktober 2019 (na de verkiezing van Charles Michel tot voorzitter van de Raad van Europa) kan de MR er prat op gaan dat zij de partij is die met Sophie Wilmès de eerste vrouwelijke premier van België levert. In 2019 verkiest de MR Georges-Louis Bouchez als voorzitter, wat duidelijk meer dan een vernieuwing van het leiderschap betekent.

Ideologie

De MR is de partij die het politieke liberalisme aan Franstalige kant vertegenwoordigt. De partij heeft heel wat invloeden ondergaan ten gevolge van diverse verruimingsoperaties. Waarnemers van het Franstalige politieke veld vragen zich dan ook wel eens af in welke mate de partij liberale standpunten vertegenwoordigt. Politicologen gewagen dat de MR zich heeft ontwikkeld tot een catch all party en daarbij meer belang hecht aan vorm en resultaat dan aan inhoud en ideologie. Wat dit laatste betreft, is het wellicht interessant om eens te kijken hoe de Franstalige liberalen zich verhouden tot de breuklijnen die volgens historici te herkennen zijn in de Belgische politieke geschiedenis.

PRL parlementsverkiezingen 13 oktober 1985.

Wat betreft de levensbeschouwelijke breuklijn (de scheiding tussen Kerk en Staat) bouwen de Franstalige liberalen (toch wel enigszins anders dan in het Nederlandstalige landsgedeelte) in de recente periode lange tijd verder op de inzichten die Vanaudenhove heeft gelanceerd. De individuele vrijheid staat voorop wanneer het gaat over individuele kwesties. De MR staat voor neutraliteit ten opzichte van alle religieuze en filosofische overtuigingen en is pleitbezorger van de zogenaamde laïcité. Op socio-economisch vlak (de tweede historische breuklijn) verdedigen de Franstalige liberalen de vrije markt en wensen niet al te veel staatsinmenging, al is dit genuanceerd. Onmiddellijk na de oorlog is er een sociaal accent en ondersteunen de Franstalige liberalen mee de opkomst van de welvaartsstaat. In de jaren 1960 neigen zij meer naar centrumrechts en zetten zich af tegen ‘gauchisten’ (socialisten en christendemocraten). De daaropvolgende decennia verdedigen de Franstalige liberalen klassieke liberale thema’s zoals minder belastingen, minder staatsuitgaven en minder overheidsinterventie. Deze standpunten worden verdedigd door kopstukken zoals Jean Gol en Didier Reynders. De standpunten op dit vlak schuiven al eens op in keynesiaanse richting (investeringen openbare werken) of ademen meer sociaalliberalisme (Louis Michel).

Op het communautaire vlak tot slot blijven de Franstalige liberalen lange tijd verdedigers van het unitarisme. In de jaren 1970 is er een instroom van regionalisten (François Perin, Jean Gol, Etienne Knoops, Serge Kubla, François-Xavier de Donnéa, Hervé Hasquin, Philippe Monfils) en een fusie met het Rassemblement Wallon. In 1977 duikt bij de PRL het idee van een federaal België op. Vanaf de jaren 1980 verleent de partij steun aan de Franstaligen rond Brussel en steunt mee het verzet tegen wat door deze groep wordt beschouwd als Vlaamse agressie (alliantie met de FDF). Brussel blijft symbolisch belangrijk voor de Franstalige liberalen, ook en vooral wanneer in Vlaanderen de aanhang van de Vlaams-nationale partijen veld wint. De Franstalige liberalen stellen zich in de loop van de eenentwintigste eeuw steeds meer op als verdediger van een unitair België, wellicht onder druk van N-VA en Vlaams Belang in Vlaanderen.

In de 175 jaar die zijn verstreken sinds de oprichting van de liberale partij heeft het liberalisme in Franstalig België (Brussel en Wallonië) heel wat gedaanteverwisselingen meegemaakt. De vertegenwoordigers van de ideologie zijn er toch wel in geslaagd om het huis met vele kamers overeind te houden, bij herhaling al dan niet grondig te renoveren en het gebouw bij wijze van spreken klaar te maken voor de toekomst.

Peter Laroy, Liberas, 2021.

Bronnen, noten en/of referenties

Pascal Delwit (ed.), Du parti libéral au MR. 170 ans de libéralisme en Belgique (Bruxelles: Editions de l’Université de Bruxelles, 2017).

Vincent Delcorps, Vincent Dujardin en Olivier Maingain, FDF 50 Ans d’engagement politique (Bruxelles: Racine, 2014).

Hervé Hasquin (ed.), Les libéraux belges. Histoire et actualité du libéralisme (Bruxelles: Centre Jean Gol, 2006).

Hervé Hasquin en Adriaan Verhulst (eds.), Le libéralisme en Belgique: deux cents ans d'histoire (Bruxelles/Gand: Delta/Paul Hymanscentrum/Liberaal Archief, 1989).

Chantal Kesteloot en Hervé Hasquin, Au nom de la Wallonie et de Bruxelles français : les origines du FDF (Bruxelles: Complexe, 2004).

N., Les libéraux de 1846 à 1996 (Bruxelles: Centre Jean Gol, 2006).

Patrick Stouthuysen, Vrijheid voorop: een kennismaking met het liberalisme (Gent: Liberaal Archief, 2006).

Paul Wynants, ‘Le libéralisme francophone du PLP au MR. I. 1961-1999’, in: Courrier hebdomadaire du CRISP, 2092-2093 (2011/7): 5-77 (online geraadpleegd 5 april 2021).

Paul Wynants, ‘Le libéralisme francophone du PLP au MR. II. 1999-2004’, in: Courrier hebdomadaire du CRISP, 2108-2109 (2011/23): 1-82 (online geraadpleegd 5 april 2021).

Paul Wynants, ‘Le libéralisme francophone du PLP au MR. II. 1999-2004’, in: Courrier hebdomadaire du CRISP, 2110-2111 (2011/25): 5-96 (online geraadpleegd 5 april 2021).

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

Hoe verwijs je naar dit artikel?

Peter Laroy, "Liberale partij in Franstalig België", Liberas Stories, laatst gewijzigd 09/06/2021.
copy url

Colofon

Liberas Stories is een realisatie van cultuurarchief Liberas. Het werd ontwikkeld door Josworld en Webdoos naar een concept van Ruben Mantels. Aan de hand van een ‘Atlas’ en een ‘Magazine’ vertelt Liberas Stories de geschiedenis van het liberalisme en worden de collecties van Liberas gepresenteerd. Deze website werd gelanceerd in juni 2021 en is sindsdien verder uitgebouwd.

De inhoud van dit portaal is bestemd voor Liberas’ erfgoedgemeenschap, maar ook voor studenten, onderzoekers en journalisten en voor iedereen die ons erfgoed wil ontdekken. Het is geen catalogus van onze collectie: die vind je op liberas.eu.

Alle teksten op deze website mogen hergebruikt worden mits het overnemen van de auteurs- en bronvermelding. Alle opmerkingen met betrekking tot Liberas Stories - vragen, aanvullingen, correcties, suggesties voor nieuwe bijdragen - zijn welkom op info@liberas.eu. 

Volg ons op