Onze website gebruikt cookies om je surfervaring te verbeteren. Om deze website optimaal te gebruiken vragen we je om akkoord te gaan met ons gebruik van cookies.

Ik ga akkoord liever niet.

Feministisch engagement

Feminisme overstijgt de grenzen van partij en politiek. Toch speelden de partijen een belangrijke rol in het beantwoorden of afblokken van eisen van de vrouwenbeweging. Hoe stelden de liberalen zich op tegenover enkele feministische thema’s?

Recht op onderwijs

In de eerste helft van de negentiende eeuw hebben vrouwen geen toegang tot middelbaar en hoger onderwijs. Enkele vrouwen proberen tegen deze situatie te ageren door onderwijs voor meisjes toegankelijker te maken en te verbeteren. Ze richten daarom middelbare meisjesscholen op. Voor deze projecten vinden ze steun bij antiklerikale progressieve liberalen die hierin een middel zien om het katholieke monopolie op lager meisjesonderwijs te doorbreken.1 Andere initiatieven volgen, zoals de Ecole Bischoffsheim in Brussel waar meisjes technisch gericht onderwijs volgen. In 1892 zet feministe Isabelle Gatti de Gamond een volgende stap. Ze richt in Brussel een lessencyclus op die meisjes voorbereidt op examens voor de examencommissie. Vijftien jaar later sticht de vrijzinnige, Vlaamse activiste Rosa de Guchtenaere een atheneum waar meisjes klassieke humaniora kunnen volgen. In 1925 wordt verder vooruitgang geboekt wanneer de onderwijsprogramma’s voor de humaniora voor meisjes en jongens worden gelijkgeschakeld. Ook daarna blijven er nog inspanningen nodig om de verschillen weg te werken.2

De toelating van vrouwen tot hoger onderwijs wordt in 1875 onderwerp van debat. De liberale politici Eudore Primez en Henri Bergé spreken zich uit in het voordeel van de vrouwen. Bij de herziening van de onderwijswet van 1876 wordt het voor vrouwen wettelijk mogelijk om hogere studies te doen.3 In de praktijk draait dit anders uit. Wanneer een studente zich aan de Université Libre de Bruxelles (ULB) wil inschrijven voor de opleiding natuurkunde wordt zij geweigerd. Ze legt twee jaar later haar examens af voor de centrale examencommissie, die daarop oordeelt dat de wet van 1876 toegepast moet worden. Als gevolg daarvan worden vrouwen vanaf 1881 toegelaten aan de ULB en iets later ook aan de universiteiten van Luik en Gent. Tot 1925 moeten vrouwen evenwel eerst slagen voor de examencommissie voor ze universitaire studies kunnen aanvatten, omdat de humaniora voor meisjes nog niet gelijkgesteld is aan die van jongens.4

Tekstaffiche van de Nationale Liberale Vrouwenfederatie voor de gemeenteraadsverkiezingen van 24 november 1946.

Vrouwenstemrecht

Al in de late jaren 1830 besteden enkelingen in België aandacht aan het vrouwenstemrecht. Onder anderen de radicaal-liberalen ijveren voor een gelijkwaardige positie van de vrouw. Zo stelt Lucien Jottrand in 1848 voor om mannen én vrouwen die kunnen lezen en schrijven vanaf 21 jaar stemrecht te verlenen. In 1895 dient radicaal-liberaal, maar op dat moment socialistisch volksvertegenwoordiger, Jules Destrée een wetsvoorstel in om het vrouwenstemrecht in te voeren. Het voorstel haalt het niet door de tegenstand van de katholieken en de verdeelde houding van de liberalen.5

Wanneer na de Eerste Wereldoorlog samen met de invoering van het algemeen mannelijk enkelvoudig stemrecht ook bepaalde groepen vrouwen toegang tot de stembus krijgen, is dit zeer tegen de zin van de liberalen. Op het nationaal congres van de Liberale Partij in 1919 buigt een commissie zich over de toekenning van gelijke rechten aan man en vrouw. Volksvertegenwoordiger Paul-Emile Janson maakt het standpunt van de partij meteen duidelijk: vrouwen kunnen pas deelnemen aan het politieke bedrijf, als ze eerst burgerlijk ‘ontvoogd’ zijn en goed voorbereid op de verantwoordelijkheid van het kiesrecht. De liberalen stellen zich negatief op tegen vrouwenstemrecht omdat ze vrezen dat de meerderheid van de vrouwen katholiek zal stemmen. Na de Tweede Wereldoorlog neemt de Liberale Partij onder druk van politica Jane Brigode met tegenzin vrouwenstemrecht op in haar programma. In 1945 herhaalt de partij haar principiële steun. Toch zorgt ze nog voor een vertragingsmanoeuvre, waardoor vrouwen uiteindelijk pas in 1948 volwaardig stemrecht hebben.6

Politieke participatie

Het stemrecht verandert niets aan de ongelijke politieke machtsverhoudingen. Ook nadien blijven vrouwen ondervertegenwoordigd op het politieke domein. Om hieraan tegemoet te komen lanceert de Nationale Vrouwenraad vanaf 1974 de Stem vrouw-campagne. Ook liberale politica’s zoals Alfonsine Tisson-De Sloovere en Arlette Duclos volgen in dit spoor. De Stem vrouw-campagne wordt in de daaropvolgende decennia regelmatig herhaald. Zo figureert onder anderen politicus Herman De Croo in 2014 op hun affiches.

Vrouwen ondervinden hindernissen om actief deel te nemen aan de politiek. Om tot een evenwichtige vertegenwoordiging van mannen en vrouwen in het politieke leven te komen, wordt in 1992 een wetsvoorstel ingediend om op de kieslijsten een bepaald aantal (verkiesbare) plaatsen voor te behouden voor vrouwen. Bij de stemming over dit voorstel neemt de volledige liberale familie een negatief standpunt in. Ze beschouwen het als discriminerend en vrijheidsbeperkend, zonder garantie op succes. Nagenoeg de voltallige liberale zijde stemt dan ook tegen.7 Ook in latere debatten over quota blijven de liberale partijen vasthouden aan hun principiële tegenkantingen.

Beeldaffiche van de ACLVB met een oproep aan mannen en vrouwen in de textielnijverheid, 18 september 1938.

Arbeid en tewerkstelling

Ook op het vlak van tewerkstelling worden vrouwen lange tijd gediscrimineerd. In de negentiende eeuw heerst onder de burgerij het ideaalbeeld van de vrouw als liefhebbende echtgenote en moeder die vooral in de privésfeer actief is. In de praktijk werken veel vrouwen lager op de sociale ladder als dienstmeid, in de huisnijverheid, als arbeidster of als medewerker bij het ambacht van hun echtgenoot. Huisnijverheid en fabrieksarbeid vinden vaak plaats in bedroevende omstandigheden en tegen een lager loon dan mannen verdienen. De burgerij verzet zich tegen de vrouwen- en kinderarbeid in de fabrieken omdat dit een moreel verderfelijke invloed zou hebben. Bovendien heerst een beeld van de vrouw als fysiek zwak en van nature zorgzaam, wat niet te rijmen valt met de arbeidsomstandigheden. Vanaf ca. 1860 gaan dan ook stemmen op om vrouwenarbeid te reguleren. Vanuit een paternalistische visie wil men vrouwen beschermen tegen bepaalde werkomstandigheden. In perioden van economische krimp wensen het patronaat en politici bovendien vrouwen uit de arbeidsmarkt te stoten zodat het aantal mannelijke werklozen beperkt blijft. Een aantal ondernemers verzetten zich hiertegen omdat ze vrezen dat ze daarmee hun concurrentieel voordeel van lagelonenarbeid zullen verliezen. Ze worden in dit standpunt gesteund door de liberalen. Toch worden vanaf 1889 wetten gestemd die kinder- en vrouwenarbeid reguleren.8

Vrouwen uit de burgerij eisen geleidelijk aan meer ruimte in de publieke sfeer op. Ze worden echter van veel beroepen uitgesloten. In 1877 behaalt Isala Van Diest haar diploma als arts, maar ze mag pas vanaf 1884, na een parlementair debat, haar beroep uitoefenen. Andere vrije beroepen blijven nog langer ontoegankelijk. Marie Popelin studeert in 1888 bijvoorbeeld af als doctor in de rechten maar wordt niet toegelaten tot de Brusselse balie. Wanneer ze dit aanvecht, verwerpt de rechtbank haar verzoek omwille van de zogenaamde specifieke natuur van de vrouw en haar sociale rol.9 Popelin legt zich hier niet bij neer en richt in 1892 samen met onder anderen Van Diest en advocaat Louis Frank de Ligue belge du droit des femmes (de Belgische Liga voor Vrouwenrechten) op. De Liga profileert zich als een politiek neutrale studie- en drukkingsgroep, maar heel wat leden zijn verbonden aan de liberale beweging. Ze stelt zich tot doel om vrouwen toegang te verlenen tot alle beroepen en hervormingen van het burgerrecht en het huwelijksrecht te bewerkstelligen.10

Het duurt lang voor er resultaten geboekt kunnen worden. De liberalen zijn verdeeld. Waar in 1893 liberaal volksvertegenwoordiger Louis Huysmans de beslissing om een vrouw bij een bureel van weldadigheid (voorloper OCMW) te benoemen, aanvecht omdat het de deur zou openzetten om vrouwen in gemeenteraden en de magistratuur toe te laten, neemt zijn collega Paul Janson het jaar daarna enkele feministische initiatieven. De liberale volksvertegenwoordiger dient wetsvoorstellen in over het spaargeld van de gehuwde vrouw, over de rechten van de overlevende echtgenoot en over het onderzoek naar het vaderschap. Weliswaar zonder onmiddellijk resultaat.11

Jane Brigode, herdenkingsmunt 2020.

Discriminatie van vrouwen op de arbeidsmarkt

Brigode wordt begin 1900 één van de spilfiguren van de Belgische Liga voor Vrouwenrechten. Ze zwengelt het debat rond de discriminatie van vrouwen op de arbeidsmarkt aan binnen de Liberale Partij. Daarvoor stelt ze een programma op waarin onder andere het vrouwvriendelijker maken van het arbeidsrecht aan bod komt. Door acties van Brigode kunnen vrouwen vanaf 1922 het ambt van advocaat uitoefenen. Toch stelt ze zich voorzichtig op en beschouwt ze de rol van moeder en huisvrouw als de belangrijkste voor vrouwen.12

Vanaf de tweede helft van de jaren 1940 worden wetten gestemd waardoor vrouwen geleidelijk toegelaten worden tot alle beroepen. In 1945 worden vrouwen bijvoorbeeld toegelaten tot het diplomatiek en consulair examen. In 1946 dient liberaal senator Georgette Ciselet een wetsvoorstel in om vrouwen toegang te verlenen tot de magistratuur. Dit wordt in februari 1948 omgezet in een wet. Datzelfde jaar gaat Ciselet een stapje verder en dient ze een wetsvoorstel in om vrouwen toegang te verschaffen tot het notariaat. Vanuit de sector zelf wordt sterk geageerd tegen het wetsvoorstel. De Belgische Federatie van Notarissen wenst het mannelijke monopolie op het beroep te behouden. Toch wordt het wetsvoorstel met ruime meerderheid door de Senaat aangenomen, met steun van de voltallige liberale fractie. Wanneer het voorstel vervolgens voor de Kamer verschijnt, blijkt er geen eensgezindheid meer binnen de partij. Liberaal volksvertegenwoordiger Georges Loumaye wenst het ambt niet open te stellen voor vrouwen omdat er maar een beperkt aantal posities als notaris zijn, daarnaast vreest hij ook dat het voorstel de overerving van het ambt zou versterken. In het verdere debat gaat de liberale minister van Justitie, Albert Lilar, in tegen de tegenstanders van het wetsvoorstel. Hij stelt dat aan een vrouw die over de nodige bekwaamheid beschikt het ambt van notaris niet kan worden ontzegd, temeer daar vrouwen intussen wel alle andere beroepen van de gerechtelijke orde mogen uitoefenen. Bij de stemming in de Kamer in 1950 krijgt het wetsvoorstel uiteindelijk de steun van alle liberale parlementsleden op één na, en wordt de wet goedgekeurd.13 Bij de verkiezingen van 1958 schuift de Liberale Partij de wet naar voren als een belangrijke verwezenlijking voor de vrouw. Toch wordt pas in 2002 in de Grondwet verzekerd dat vrouwen gelijke toegang hebben tot openbare mandaten.

Vrouwen verdienen beter. Beeldaffiche van de ACLVB voor de sociale verkiezingen van 2008 

Gelijk loon voor gelijk werk

Al in het verdrag van Versailles in 1919 is er sprake van gelijk loon voor gelijk werk en van de bescherming van vrouwenarbeid. In 1928 wordt dit principe bekrachtigd door de Internationale Arbeidsconferentie, waarna er in België gelijke barema’s voor staatsambtenaren komen. Arbeids- en loondiscriminatie blijven echter aan de orde van de dag. Als gevolg van de economische crisis neemt de overheid in de jaren 1930 discriminerende maatregelen die de vrouw uit het arbeidsproces moeten drijven. Hiertegen wordt sterk geageerd door vrouwenorganisaties. Na de Tweede Wereldoorlog worden de principes rond vrouwenarbeid en gelijk loon voor gelijk werk internationaal opnieuw herhaald. Toch blijft dit in België in de praktijk dode letter. De staking van de vrouwelijke arbeiders van FN Herstal met de eis ‘gelijk loon voor gelijk werk’ in 1966 heeft een groot symbolisch belang en leidt tot een parlementair debat. Geleidelijk volgen wetten ter bescherming van vrouwen op de arbeidsvloer. Vrouwen kunnen een rechtsprocedure instellen tegen hun werkgever als het principe van gelijk loon niet wordt toegepast; ze mogen niet langer ontslagen worden omwille van huwelijk of zwangerschap en het gelijkheidsbeginsel wordt ook in de werkloosheidsvergoedingen ingesteld.

Opvallende afwezigen in het debat zijn de liberalen. Nochtans heeft de Liberale Partij reeds op haar congres in 1951 aandacht voor de kwestie. Ook op de congressen van 1956, 1962 en 1969 benadrukt ze dat ze de toegang van vrouwen tot hun volledige gelijkheid als burger en arbeidster voorstaat. Hoewel de liberalen principieel wel achter de wetsvoorstellen staan en deze ook bijna unaniem goedkeuren, nemen ze zelf geen initiatief.14 Nog in de eenentwintigste eeuw stelt de liberale partij de strijd tegen de loonkloof voorop.

Burgerlijke rechten

Liberale vrouwen zoals Brigode richten hun pijlen voornamelijk op andere aspecten van de vrouwenemancipatie. Brigode ontwerpt en redigeert meerdere wetsvoorstellen. In 1900 wordt het de vrouw toegestaan een arbeidscontract af te sluiten en haar salaris tot 3000 BEF per jaar te ontvangen zonder toelating van haar echtgenoot. Daarnaast mag ze gedeeltelijk over haar spaargeld beschikken. Vanaf 1908 mag een vrouw getuige zijn bij de akten van de burgerlijke stand en vanaf het daaropvolgende jaar kan ze optreden als voogd en lid zijn van de familieraad. De juridische onbekwaamheid van de vrouw wordt met deze wetten gedeeltelijk afgeschaft.15 Hoewel deze wetsvoorstellen door Brigode worden opgesteld, vinden ze via de Belgische Liga voor Vrouwenrechten waarvan zij lid is, voornamelijk hun weg naar de Socialistische Partij en neemt de Liberale Partij een eerder passieve houding aan.

Marthe Boël-de Kerchove de Denterghem 

Huwelijksrecht

Ondanks deze verbeteringen op het vlak van burgerlijke rechten blijft het huwelijksrecht een doorn in het oog van feministes. Het Burgerlijk Wetboek bepaalt immers dat het huwelijk geen verbintenis is tussen gelijke partners, maar dat de vrouw aan haar echtgenoot toebehoort. Bij haar huwelijk verliest de vrouw haar onafhankelijkheid en juridische bekwaamheid. Haar echtgenoot staat in voor haar bescherming en onderhoud. Op het congres van de Liberale Partij in 1923 zorgen Brigode en Marthe Boël-de Kerchove de Denterghem ervoor dat er een resolutie wordt aangenomen waarin de rechten van de gehuwde vrouw en de noodzaak van een hervorming van het huwelijksvermogensrecht erkend worden. Omdat hier verder niets mee gebeurt, richt de juridische commissie van de Nationale Federatie van Liberale Vrouwen haar aandacht op de wetgeving rond het huwelijksvermogensrecht en het huwelijkscontract. Ze ijvert voor de volledige juridische bekwaamheid van de vrouw binnen het huwelijksvermogensrecht.

In 1925 dient liberaal parlementslid Emile Jenissen hierover een eerste wetsvoorstel in. In 1945 dient liberaal politicus Jean Rey een nieuw voorstel in, gevolgd door een wetsvoorstel van Ciselet in 1946. Dit brengt geen zoden aan de dijk. Daarom doet Ciselet in 1947 een tweede voorstel, waarna de kwestie naar een commissie wordt doorverwezen. De commissie Huwelijksstelsels en -statuten legt uiteindelijk pas in 1956, onder de liberale minister van Justitie Albert Lilar, haar resultaten voor aan de Senaat. Het wetsvoorstel wordt met de unanieme steun van de liberalen aangenomen en krijgt in 1958 kracht van wet, waardoor vrouwen na hun huwelijk niet langer juridisch onbekwaam zijn.16

Hoewel deze wet een mijlpaal vormt, heeft hij weinig concrete gevolgen. Het huwelijksvermogensrecht bepaalt nog steeds dat de man de gemeenschapsgoederen en de eigendommen van de vrouw beheert. De vader blijft ook het zeggenschap over de kinderen behouden. Door de hervorming van het huwelijksvermogensrecht in 1976, onder de liberale minister van Justitie Herman Vanderpoorten, wordt de juridische discriminatie van man en vrouw in het huwelijk eindelijk volledig weggewerkt. Verschillende liberalen hadden zich jarenlang ingezet om deze wetswijziging te bekomen.

Seksualiteit

Vanaf de jaren 1970 wijzen vrouwenbewegingsorganisaties erop dat het persoonlijke leven politiek is. Daarmee ijveren ze ervoor dat erkend wordt dat beide sferen niet los van elkaar geïnterpreteerd kunnen worden.17 Deze opvatting heeft onder meer tot gevolg dat ook seksualiteit voorwerp van politiek debat wordt. In 1972 organiseert de PVV een statutair en doctrinair congres. Naast een commissie over recht op voorlichting, censuur en privacy wordt er bewust ook een commissie over het statuut van de vrouw en een commissie over politiek en ethiek ingericht. De commissie over het statuut van de vrouw staat onder voorzitterschap van Lucienne Herman-Michielsens, als nationaal voorzitster van de nationale vrouwenfederatie van de PVV. In de commissie over het statuut van de vrouw komen onder meer seksualiteit, anticonceptie en abortus aan bod. Deze thema’s worden aan elkaar verbonden: seksualiteitsbeleving, seksuele opvoeding, beschikbaarheid en kennis over anticonceptie en toegang tot abortus kunnen niet los van elkaar beschouwd worden. Onder Vanderpoorten wordt het daaropvolgende jaar de toegang tot anticonceptie vrij. De abortuskwestie leidt daarentegen tot een lange parlementaire strijd waarin diverse vrijzinnige organisaties en de liberale politica Lucienne Herman-Michielsens een belangrijke rol spelen. Abortus wordt pas in 1990 gedecriminaliseerd.

Het glazen plafond. Beeldaffiche van de Liberale Vrouwen Socio-culturele vereniging in het kader van Erfgoeddag Grenzeloos, 2014

Seksisme

Juridisch is er begin eenentwintigste eeuw bijna volledige gelijkheid van mannen en vrouwen in België. In de dagelijkse praktijk echter blijven vrouwen geconfronteerd worden met vooroordelen en discriminatie, denk maar aan het glazen plafond of aan geweld tegen vrouwen. De laatste decennia worden dergelijke minder zichtbare vormen van seksisme steeds meer aan de kaak gesteld. Met Alexander De Croo hebben de liberalen in 2020 een zelfverklaarde feminist naar voren geschoven als premier, wat belooft voor hun verdere initiatieven voor vrouwenemancipatie.

Kim Descheemaeker, Liberas, 2021.

Bronnen, noten en/of referenties

1. Julie Carlier, ‘Moving beyond boundaries. An entangled history of feminism in Belgium, 1890-1914’ (PhD diss., UGent, 2010) 2-5; Denise De Weerdt, En de vrouwen? Vrouw, vrouwenbeweging en feminisme in België, 1830-1960 (Gent: Frans Masereelfonds, 1980) 42-44.

2. Fien Danniau en Anne-Marie Van der Meersch, ‘1. Geen hoger onderwijs zonder middelbaar onderwijs’, in: UGentMemorie, (2011), geraadpleegd 5.1.2021.

3. Clara Gevaert, ‘De toelating van vrouwen tot de Belgische rijksuniversiteiten: een analyse van de argumenten in het politieke debat in de tweede helft van de negentiende eeuw’ (masterproef, interuniversitaire Master in Gender en Diversiteit, 2017) 14-15.

4. Sofie Bracke, ‘De houding van de liberalen ten aanzien van de vrouwenemancipatie 1945-2000’ (masterproef, UGent, 2001) 53-54.

5. Ton Baetens en Hans Moors, “Toujours un peu l’ami de la femme”. Liberalisme, socialisme en vrouwenemancipatie, 1830-1848 (Utrecht: Moors, 1990) 88.

6. Bart D’hondt, Gelijke rechten, gelijke plichten. Een portret van vijf liberale vrouwen (Gent: Liberaal Archief, 1996) 14, 20-21, 82, 97-98.

7. Bracke, 'De houding van de liberalen', 166, 169, 172-173, 178.

8. J. Jacqmain, Honderd jaar sociaal recht in België. De vrouwenarbeid (s.l., s.n., 1987).

9. Bracke, 'De houding van de liberalen', 54; De Weerdt, En de vrouwen?, 47-59.

10. Carlier, 'Moving beyond boundaries', 53-55.

11. De Weerdt, En de vrouwen?, 78.

12. D’hondt, Gelijke rechten, gelijke plichten, 69-70, 89.

13. Bracke, 'De houding van de liberalen', 50-51, 55-62.

14. Bracke, 'De houding van de liberalen', 90-95, 104-105, 108.

15. Bracke, 'De houding van de liberalen', 54-55; D’hondt, Gelijke rechten, gelijke plichten, 58-59.

16. Bracke, 'De houding van de liberalen', 71-74; D’hondt, Gelijke rechten, gelijke plichten, 105-106; Inge Puchnatzi, ‘De beruchte gehoorzaamheid van de gehuwde vrouw: de afschaffing van de maritale macht en de handelingsonbekwaamheid van de gehuwde vrouw door de wet van 30 april 1958’ (masterproef, KU Leuven, 2006).

17. Anaïs Van Ertvelde, ‘’t Is nog niet in de sacoche. De vormelijke en inhoudelijke evolutie van de nationale vrouwendag, 1972-2002’ (masterproef, UGent, 2010) 20-21.

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11

Hoe verwijs je naar dit artikel?

Kim Descheemaeker, "Feministisch engagement", Liberas Stories, laatst gewijzigd 10/06/2021.
copy url

Colofon

Liberas Stories is een realisatie van cultuurarchief Liberas. Het werd ontwikkeld door Josworld en Webdoos naar een concept van Ruben Mantels. Aan de hand van een ‘Atlas’ en een ‘Magazine’ vertelt Liberas Stories de geschiedenis van het liberalisme en worden de collecties van Liberas gepresenteerd. Deze website werd gelanceerd in juni 2021 en is sindsdien verder uitgebouwd.

De inhoud van dit portaal is bestemd voor Liberas’ erfgoedgemeenschap, maar ook voor studenten, onderzoekers en journalisten en voor iedereen die ons erfgoed wil ontdekken. Het is geen catalogus van onze collectie: die vind je op liberas.eu.

Alle teksten op deze website mogen hergebruikt worden mits het overnemen van de auteurs- en bronvermelding. Alle opmerkingen met betrekking tot Liberas Stories - vragen, aanvullingen, correcties, suggesties voor nieuwe bijdragen - zijn welkom op info@liberas.eu. 

Volg ons op