Onze website gebruikt cookies om je surfervaring te verbeteren. Om deze website optimaal te gebruiken vragen we je om akkoord te gaan met ons gebruik van cookies.

Ik ga akkoord liever niet.
Longread

Op oude of nieuwe wegen? De Liberale Partij na de Tweede Wereldoorlog

Zowat geheel België wordt door de geallieerde troepen bevrijd in de eerste helft van september 1944. De regering in ballingschap keert reeds op 8 september uit Londen terug. De katholieke eerste minister Hubert Pierlot stelt een regering van nationale unie samen, bestaande uit katholieke, liberale, socialistische en communistische ministers. Het is de start van een lange zoektocht naar een stabiele naoorlogse democratie. Tussen september 1944 en juni 1950 kent België maar liefst tien opeenvolgende regeringen in diverse samenstellingen en vijf verschillende eerste ministers. De opdracht is niet min en het bestuur van het land niet eenvoudig.

Peter Laroy
26 mei 2021

België kent in die jaren een aantal grote problemen: de strijd tussen diegenen die fundamentele democratische hervormingen wensen en de eerder behoudsgezinden, de beoordeling van zij die met de vijand hebben samengewerkt, de aanwezigheid van een sterke groep communisten in het politieke landschap, de algemene economische wederopbouw van het land en de zogenaamde Koningskwestie. Het is in deze context dat de Liberale Partij in België, en bij uitbreiding het liberalisme als ideologie, zich in die jaren volledig dient heruit te vinden.

“Om de vrijheid te verdedigen zijn er liberalen nodig”

De Liberale Partij leed zwaar onder de oorlog. Heel wat vooraanstaande figuren kozen voor het verzet. Een niet te onderschatten aantal spilfiguren viel in handen van de Duitsers en overleefde de oorlog niet. De partij, van oudsher niet strak georganiseerd, voelt sterk het gemis van deze spilfiguren. De laatste vooroorlogse regering Pierlot telde drie liberale ministers: Arthur Vanderpoorten, Paul-Emile Janson en Albert Devèze. Enkel die laatste is er nu nog.

Op 26 november 1944 komt de partij voor het eerst weer samen. Op deze bijeenkomst is het grondgebied zo goed als bevrijd maar de oorlog nog niet voorbij. De Duitse V1- en V2-wapens teisteren het bevrijde gebied en zorgen voor onrust. Enkele weken na die eerste liberale bijeenkomst proberen Duitse troepen nog een doorgang te forceren in de Ardennen, in een poging om de haven van Antwerpen in handen te krijgen. In tegenstelling tot de andere partijen hoeden de Belgische liberalen er zich voor om veel actie aan de dag te leggen in het najaar van 1944.

Roger Motz aan het woord op het banket van het Feest der gedecoreerden van de ACLVB, 28 november 1948.

In de eerste plaats moet er een nieuwe kopman worden gevonden. De vooroorlogse partijvoorzitter, Emile Coulonvaux, had onder druk van de bezetter zijn politieke activiteiten bij het begin van de oorlog op een laag pitje gezet. Tijdens de oorlog namen de ondervoorzitters Fernand Demets en Jane Brigode de taak op zich om de politieke werking draaiende te houden. Een kleine werkgroep was in het leven geroepen om na te denken over hoe het na de oorlog verder moet (vanaf 1941-1942). Uit deze bijeenkomsten ‘en petit comité’ kwamen inhoudelijke voorstellen die werden afgetoetst met vertegenwoordigers van andere partijen. De basis voor een naoorlogse regering van nationale unie was gelegd. In die nieuwe regering onder ‘Londenaar’ Pierlot zetelt voor de Liberale Partij naast Victor de Laveleye (Openbaar Onderwijs) ook Fernand Demets (Landsverdediging). De Belgische liberalen in het buitenland zaten ook niet stil. Roger Motz rondde eind mei 1944 een dertig bladzijden lange tekst af, getiteld Essai sur une doctrine libérale nouvelle. Motz vertrekt in deze tekst van de vooroorlogse situatie en lanceert ideeën voor de naoorlogse maatschappij. Op die eerste partijbijeenkomst in november 1944 neemt Motz het voorzitterschap op en groeit vanaf dan uit tot een van de onbetwiste naoorlogse liberale kopstukken.

Onmiddellijk na de bevrijding zijn de vraagstukken rond de wederopbouw of rond koning Leopold III nog niet echt aan de orde. De liberalen bezinnen zich over de te varen koers, de naoorlogse zuivering en de omgang met de oprukkende communistische ideologie. Een centrale vraag bestaat erin of er nood is aan restauratie dan wel aan vernieuwing. Anders gezegd: gaat men verder doen zoals voorheen of is er nu toch tijd en ruimte om de zaken eens anders aan te pakken.

De Liberale Partij had zich tijdens het interbellum niet altijd van haar meest dynamische kant laten zien. Na de oorlog lijkt het verantwoord om de weg op te gaan van meer sociaalliberalisme, met oog voor de noden van de kiezers. Inspiratie hiervoor komt er van de ideeën van Walter Lippman (The Good Society, 1937) en William Beveridge (die de krijtlijnen uittekende voor een Brits systeem van sociale zorg). Ook de roep naar een hervorming van het politieke systeem klinkt bijzonder hard. De vooroorlogse antisysteempartijen (Rex aan Franstalige kant en VNV aan Vlaamse zijde) hadden de democratie ondergraven. De burger had toen zijn buik vol van het klassieke partijensysteem en van allerlei belangen en organisaties die achter de schermen het spel bepaalden. Dit mocht niet worden vergeten, zo klonk het. Politici uit andere partijen namen meteen na de oorlog initiatieven om partijen en ideologische invalshoeken een nieuwe invulling te geven. De liberalen beseften dat het vrijheidsdenken door velen kon worden geclaimd en waren daarom op hun hoede.

“Le régime démocratique qui, à brève échéance sera restauré en Belgique, ne peut être semblable à celui auquel l’agression allemande a mis fin en 1940.” Roger Motz, Essai sur une doctrine libérale nouvelle (typoscript, mei 1944, Londen, Liberas, archief nr. 15).

Een tweede belangrijk thema is de zogenaamde zuivering. Reeds op 14 september 1944 heeft Demets een brief naar de lokale afdelingen (traditioneel de kern van de minder centralistisch georganiseerde Belgische liberalen) gestuurd met de vraag om comités op te richten die kunnen nagaan welke leden en politieke figuren eventueel hadden samengewerkt met de bezetter. De oorlog is dan nog aan de gang en een volledig rapport kan nog niet worden opgemaakt. Gezien de toch wel vrij hoge tol in liberale rangen, leeft er verontwaardiging en zelfs haat tegenover zij die met de Duitse bezetter hebben geheuld.

De rol die de liberalen in het verzet hebben gespeeld, komt in de verdrukking. Vooral de communistische groeperingen kloppen zich hard op de borst en eisen de eer voor zich op. Ze kunnen bij de bevolking op een steeds grotere sympathie rekenen. Uiteraard botst de communistische ideologie met het vrijheidsideaal en de visie op (vrij) ondernemen die de liberale gedachte zo koestert.

De kopstukken van de Liberale Partij zijn evenwel echte Realpolitikers. Wars van alle compromissen is het nodig dat na die moeilijke oorlogsjaren (en wat België betreft, op politiek-bestuurlijk vlak ook de jaren voor de oorlog), de Liberale Partij met een duidelijke visie en heldere uitgangspunten naar buiten komt.

De eerste naoorlogse bijeenkomst van de Liberale Partij tekent de krachtlijnen uit. De aandacht moet gaan naar de naweeën van de oorlog (o.a. bestraffing van verraders, inbeslagname illegale goederen, strijd tegen speculatie en zwarte markt,…). Er worden maatregelen op sociaal gebied naar voren gebracht (verzekering tegen ziekte, invaliditeit en ongevallen, ouderdom, overlijden en werkloosheid, uitbreiding betaalde vakantie,…) met als opvallend aandachtspunt de deelname van arbeiders aan het bestuur van de onderneming en winstdeling. Het reeds lang door de Belgische liberalen gekoesterde idee van volksontwikkeling wordt opgenomen (verplicht onderwijs tot 16 jaar, aandacht voor burgerschapszin en lichamelijke ontwikkeling, met ook voorbereiding op de militaire dienstplicht). Op onderwijsvlak verdedigt de Liberale Partij het officieel (niet-confessioneel) onderwijs. Op economisch gebied zien de Belgische liberalen de mogelijkheid tot iets meer staatsinterventie dan voorheen maar verdedigen ze toch het privaat initiatief in handel, nijverheid en landbouw. De partij zet zich af tegen het corporatisme uit de oorlogsjaren en spreekt een expliciet veto uit tegen de verplichte beroepsorganisatie. Op financieel vlak pleiten de liberalen voor muntstabilisering en vereenvoudiging van de fiscale wetgeving en belastingen. Kapitaal dient om te investeren in het land of de kolonie. De Belgische liberalen pleiten voor algemeen stemrecht vanaf 21 jaar, zonder onderscheid van geslacht voor verkiezingen op alle niveaus (waarmee ook het in België nog steeds niet volledig ingevoerd vrouwenkiesrecht op de agenda komt).

Aankondiging van een voordracht van Julius Hoste jr. over “De liberale opvattingen en de toekomst van ons land”, ingericht door het Willemsfonds Brugge, 14 januari 1945.

Enkele kleinere ingrepen (zoals het oprichten van een Raad van State) worden bepleit voor de verbetering van het parlementaire regime. Voor de kolonie voorziet het nieuwe programma de uitbouw van officieel onderwijs en waar mogelijk meer participatie in het bestuur. Een heikel punt tot slot vormt de situatie van het leger. Er wordt gepleit voor een beroepsleger en de invoering van de dienstplicht in oorlogstijd. Op internationaal vlak vinden de Belgische liberalen dat er meegewerkt moet worden aan de internationale initiatieven om vrede en veiligheid te bevorderen. Het afsluiten van economische verdragen en het afschaffen van de tolgrenzen zijn belangrijk (de besprekingen met Nederland en Luxemburg hieromtrent worden als voorbeeld gesteld).

“Nieuwe en stoutmoedige gedachten”

Na de definitieve nederlaag van Duitsland werken de Belgische liberalen deze krijtlijnen verder uit. Op zaterdag 23 juni 1945 (goed anderhalve maand na V-dag) komt de partij bijeen op een congres in Brussel. In zijn openingstoespraak diept voorzitter Motz de hoger genoemde principes verder uit. Hij bepleit vooral politieke en economische vrijheid, rechtvaardigheid en sociale solidariteit. Rond de thema’s onderwijs, kolonie en wederopbouw worden teksten voorgelegd en besproken. De hoofdmoot van deze congresdag gaat naar het economische luik.

De ideeën van Beveridge weergalmen tijdens de debatten. De Belgische liberalen verleenden eerder hun steun aan het zogenaamde Sociaal Pact. Dit was eind 1944 in consensus afgesloten tussen de sociale partners (werkgevers en vakbonden). Het legde de basis voor het naoorlogse sociaal overleg en de naoorlogse sociale zekerheid. Mede geïnspireerd door de nieuwe Verklaring van de Rechten van de Mens keurt het congres een Sociaal Handvest der Liberale Partij goed. Toenadering tussen de sociale standen en het verhogen van het welstand van de arbeiders staan centraal. Deze sociaalliberale visie is vrij vernieuwend voor de Belgische liberalen, die voor de oorlog toch steeds hadden geijverd voor de belangen van de (betere) middenklasse, maar nu ook de druk voelen van de linkse partijen (socialisten en communisten).

Een pamflet van de Liberale Partij in Ronse voor de gemeenteraadsverkiezingen 24 november 1946 verwijst naar de collaboratie.

Op een tweede naoorlogs congres (24 en 25 november 1945) komen nog andere thema’s aan bod. Een belangrijk punt is de situatie van de middenstand en de landbouw: net die sectoren waar de liberalen steeds hun kiespubliek hebben geoogst. Voor deze beroepsgroepen worden financiële en economische hervormingen in het vooruitzicht gesteld en wordt gepleit om belastingverhoging te vermijden. Bij de opening stelt voorzitter Motz reeds dat de wereld grondig is veranderd, o.a. door de atoombom (in augustus 1945 voor het eerst gebruikt) en de opkomst van de grootmachten. De Belgische liberalen pleiten tijdens dit congres voor internationale samenwerking (in eerste instantie met de buurlanden Frankijk, Engeland en Duitsland) en spreken expliciet hun steun uit aan het Handvest van de Verenigde Naties.

Over defensie, en met name over de uitbouw van het naoorlogse leger, kan moeilijk een consensus worden bereikt. Aan de basis van de woordenwisseling liggen vragen van jongere liberalen over onder andere de invulling van de dienstplicht en de houding van het officierenkorps voor, tijdens en na de oorlog. De discussie is des te pijnlijker omdat de liberaal Leo Mundeleer minister van Landsverdediging is en nu dus met de rug tegen de muur staat. Het voorval geeft anderzijds aan dat de Liberale Partij ook na de oorlog het open debat en de vrijheid van spreken bijzonder hoog in het vaandel draagt.

Tot slot komt nog heel kort de staatsstructuur aan bod. Doorheen haar geschiedenis toonde de Liberale Partij zich steeds een voorstander van een sterke unitaire staat. De Franstalige dominantie binnen de partij is duidelijk. Na de oorlog zijn belangrijke figuren van het Vlaamse liberalisme verdwenen en heeft de niet-partijgebonden Vlaamse Beweging zich ook verbrand aan de samenwerking met de Duitse bezetter. Dat het thema toch aan bod komt, is te wijten aan de organisatie van het Waals congres (20 en 21 oktober 1945).

Kaft van de programmabrochure van de Liberale Partij voor de verkiezingen van 17 februari 1946.

In tegenstelling tot wat sommige historici wel eens denken, gaat de Belgische Liberale Partij met een onderbouwd programma en met hoop op loon naar (regerings)werk op 17 februari 1946 naar de eerste naoorlogse wetgevende verkiezingen. Het resultaat valt, op z’n zachtst gezegd, heel erg tegen. Slechts 9,6 % van de kiezers kiest voor de Liberale Partij (in 1939 was dit nog 17 %). Voorzitter Motz heeft het in een nabeschouwing over de zwaarste nederlaag die in een halve eeuw wordt geboekt. 

De Liberale Partij heeft een boodschap maar kan die niet duidelijk overbrengen. De structurele verzwakking van het partijkader en de samenstelling van minder stevige kandidatenlijsten liggen mee aan de basis van de nederlaag. Bovendien blijft de Liberale Partij in haar rol geduwd van typische consensuspartij. In de jaren 1930 en 1940 was zij telkens de ideale partner om regeringsvormingen sluitend te maken. Het ideologisch profiel was afgevijld. In de onzekere naoorlogse periode kiest de burger voor duidelijkheid: links (socialisten of communisten) of rechts (katholieke partij). Op beide vleugels verliest de Liberale Partij in 1946 stemmen. De druiven smaken zuur. Was het niet net de liberale ideologie die de vrijheidsstrijd tegen het nazisme had geïnspireerd? Waren het niet net de liberale figuren die dit met hun engagement in het verzet in de praktijk hadden gebracht?

Enkele maanden na deze dramatische verkiezing, op 14 juni 1946, vindt in Brussel de viering plaats van het honderdjarig bestaan van de Liberale Partij in België. De Belgische liberalen trekken er volop de internationale kaart. Vertegenwoordigers uit Denemarken, Spanje, Frankrijk, Italië, Zwitserland, Zweden, Groot-Brittannië en Nederland stellen er samen de zogenaamde Declaratie van Brussel op. Daarin verklaren zij zich voorstander van de geestelijke vrijheid, verwerpen elk reactionair en totalitair bewind, pleiten voor voorzichtige staatsinmenging in de economie en bij uitbreiding sociaalliberale benadering, ijveren voor een internationale organisatie en gaan voor de individuele ontwikkeling. Hierop verder bouwend komt in de lente van 1947 het Manifest van Oxford tot stand.

De Belgische liberalen putten uit hun eeuwfeest de nodige kracht om hun naoorlogse ideologische visie verder uit te bouwen. Toch blijft het moeilijk om uitgesproken keuzes te maken. Bij de afhandeling van de Koningskwestie slaagt de Liberale Partij er bijvoorbeeld niet in om tot een eenduidig advies te komen. Bij de nationale verkiezingen van 26 juni 1949 maakt de Liberale Partij het verlies van 1946 ten dele goed (15,2 %) en wordt opnieuw de derde partij van het land. In een politiek systeem, waar afwisselend christendemocraten en socialisten de grootste partij zijn, blijkt het aanpassingsvermogen een sterke troef. Zij worden betrokken in heel wat regeringen, wat ook een doortastende ideologische vernieuwing wat afremt. Die komt er pas na de zogenaamde Tweede Schoolstrijd in de jaren 1950 (polarisering tussen voorstanders van het confessioneel en deze van het niet-confessioneel onderwijs) en bij het begin van de economische expansie (Golden Sixties).

Hoe verwijs je naar dit artikel?

Peter Laroy, "Op oude of nieuwe wegen? De Liberale Partij na de Tweede Wereldoorlog", Liberas Stories, laatst gewijzigd 03/06/2021.
copy url

Colofon

Liberas Stories is een realisatie van cultuurarchief Liberas. Het werd ontwikkeld door Josworld en Webdoos naar een concept van Ruben Mantels. Aan de hand van een ‘Atlas’ en een ‘Magazine’ vertelt Liberas Stories de geschiedenis van het liberalisme en worden de collecties van Liberas gepresenteerd. Deze website werd gelanceerd in juni 2021 en is sindsdien verder uitgebouwd.

De inhoud van dit portaal is bestemd voor Liberas’ erfgoedgemeenschap, maar ook voor studenten, onderzoekers en journalisten en voor iedereen die ons erfgoed wil ontdekken. Het is geen catalogus van onze collectie: die vind je op liberas.eu.

Alle teksten op deze website mogen hergebruikt worden mits het overnemen van de auteurs- en bronvermelding. Alle opmerkingen met betrekking tot Liberas Stories - vragen, aanvullingen, correcties, suggesties voor nieuwe bijdragen - zijn welkom op info@liberas.eu. 

Volg ons op