Onze website gebruikt cookies om je surfervaring te verbeteren. Om deze website optimaal te gebruiken vragen we je om akkoord te gaan met ons gebruik van cookies.

Ik ga akkoord liever niet.
Longread

Julius Mac Leod en de vernederlandsing van de Gentse universiteit

De Gentse hoogleraar biologie Julius Mac Leod (1857-1919) zet eind 19de eeuw zijn schouders onder de strijd voor de vernederlandsing van de Gentse universiteit. Tien jaar later zegt hij de Vlaamse beweging enigszins verbitterd vaarwel en concentreert zich op zijn wetenschappelijke carrière. In brieven aan Augustin Lodewijckx (bewaard in Melbourne, Australië) uit hij zijn frustraties.

Peter Laroy
7 december 2022

Portret van Julius Mac Leod, ca. 1900.

De strijd der stelsels

Vanaf 1884 is het aan de Gentse universiteit mogelijk om een beperkt aantal Nederlandstalige cursussen te volgen. Ze zijn te vinden in de leraarsopleidingen talen en geschiedenis voor het officieel middelbaar onderwijs. In 1888 zet bioloog Julius Mac Leod1 een volgende stap en biedt een van zijn cursussen plantkunde in het Nederlands aan. Zijn inzet voor het gebruik van het Nederlands in het hoger onderwijs neemt de volgende jaren verder toe. In augustus 1896 komt Mac Leod terecht in een commissie die op een bijeenkomst van het 23ste Nederlandsch Taal- en Letterkundig Congres in Antwerpen (eveneens in 1896) in het leven is geroepen om de mogelijkheden van Nederlandstalig hoger onderwijs in Gent verder te onderzoeken (de zogenaamde Commissie Mac Leod).2

Het resultaat van de werkzaamheden van de werkgroep verschijnt in mei 1897. De brochure Verslag van de commissie belast met het onderzoeken van de wenschelijkheid van het inrichten eener Nederlandsche Hoogeschool in Vlaamsch België beschrijft wat vanaf dan het ‘stelsel Mac Leod’ wordt genoemd: de professoren in dienst van de Gentse universiteit krijgen het verzoek, zonder verplichting, om in het Nederlands les te geven, nieuwe lesgevers moeten meteen bij hun benoeming in het Nederlands les geven en uitzonderingen zijn enkel mogelijk voor vakken zoals Romaanse taal- en letterkunde. Tegelijkertijd is het Mac Leods overtuiging dat Nederlands als taal van de wetenschap toekomst heeft. In september 1897 organiseert de Gentse hoogleraar een groot Natuur- en Geneeskundig Congres. De referenten en deelnemers spreken er in het Nederlands. Ze geven zo een signaal dat niet enkel in een leidinggevende internationale taal als het Frans maar ook in de moedertaal kan worden gediscussieerd en geargumenteerd. De overheid (bij monde van de minister van Binnenlandse Zaken, Frans Schollaert) en de academische overheid lopen niet meteen warm voor Mac Leods ideeën.

Portret van Paul Fredericq, ca. 1900-1920.

Mac Leod rekent voor de realisatie van zijn ideeën op de steun van de Liberale Partij, in het bijzonder op de Vlaamsgezinde vleugel. Aanvankelijk lijkt dit te lukken. Toch duiken er al vlug andere stemmen op onder druk van de Franstalige liberalen. Eerst zijn er de uitspraken van Julius De Vigne (december 1899, later nog eens herhaald in maart 1901). Een jaar later toont ook de Antwerpse burgemeester Jan van Rijswijck zich niet meer overtuigd om de weg van Mac Leod te volgen. In academische middens toont de Gentse hoogleraar Paul Fredericq (neef van Mac Leod) zich eveneens voorstander van een andere aanpak, hoewel hij aanvankelijk gewonnen was voor Mac Leods ideeën. Hij neemt steeds meer afstand en pleit voor een tweetalige universiteit met Nederlandstalige en Franstalige leergangen naast elkaar, volgens hem een meer pragmatische keuze.3

De kwestie van de vernederlandsing van de universiteit raakt verstrikt in “het net van de partijpolitiek”, aldus Hendrik Elias.4 De liberale tegenstanders van het stelsel Mac Leod bekijken de kwestie inderdaad minder met de taalkundige dan wel met de liberale bril. De kans is volgens hen groot dat een volledig Nederlandstalige universiteit leidt tot een nieuwe toevloed van overwegend katholieke studenten waardoor de liberale invloed op de Gentse universiteit afzwakt. Omgekeerd leeft bij hen de vrees dat katholieke stemmen de vernederlandsing zullen aangrijpen om de hogere internationale kwaliteit (door het gebruik van het Frans) van Leuven in de verf te zetten. De verschillende opvattingen kristalliseren zich in de zogenaamde ‘strijd der stelsels’: de trapsgewijze aanpak tot vernederlandsing volgens het stelsel Mac Leod tegenover een tweetalige universiteit volgens het stelsel Fredericq.

In studentenmiddens kan het stelsel Mac Leod wel op veel sympathie rekenen. Vanuit die hoek volgen er stappen om volksvertegenwoordigers uit het Vlaamse land voor de zaak te winnen. In augustus 1901 bezoekt een delegatie van vier studenten de minister van Binnenlands Onderwijs, Jules De Trooz. Hij stuurt hen met een kluitje in het riet. Op het Derde Vlaamse Studentencongres van 2 februari 1902 wordt duidelijk gesteld dat er drie mogelijkheden zijn: een radicale oplossing (Mac Leod), een gematigde oplossing (Fredericq) of wachten op betere tijden en dan opnieuw met een vernieuwend voorstel komen. Mac Leod geniet de meeste populariteit en trekt - voorlopig toch - aan het langste eind bij de studenten. Het is een magere troost. De verbittering over de strijd die hij binnen zijn eigen liberale fractie dient te voeren, neemt immers zienderogen toe.

Brochure Over de vervlaamsching der Gentsche Hoogeschool door Mac Leod, 1903.

De daaropvolgende weken voert Mac Leod diverse publieke debatten met de hoogleraren Fredericq en Jozef Vercoullie. Een tekst uitgesproken op het Vierde Vlaamse Studentencongres verschijnt in boekvorm en geniet veel bijval als brochure (Over de vervlaamsching der Gentsche Hoogeschool). Tegen eind 1903 duikt een volledig nieuw ‘stelsel’ op. Lodewijk De Raet, een ingenieur, onderbouwt een visie waarin het belang van het Nederlands voor de technische opleidingen centraal staat. De Raet fileert haarscherp het voorstel van Mac Leod. Hoewel vol goede bedoelingen, leidt het in werkelijkheid tot een tweetalige universiteit, aldus De Raet.

Mac Leods zwanenzang is ingezet. Zijn ideeën inspireren nog de christendemocraat Aloïs De Backer om in het parlement een vraag te stellen aan de bevoegde minister De Trooz (zitting 22 april 1904). Die scheept de vraagsteller vakkundig af. Een jaar later (mei 1905) komt er een nieuw parlementair initiatief met als initiatiefnemers de christendemocraten Adolf en Pieter Daens, de liberalen Jan Persoons en Jaak Verheyen en de socialist Prosper Van Langendonck.5 Alles is tevergeefs. De ontwikkelingen laten Mac Leod niet onberoerd. Op het Zevende Vlaamse Studentencongres te Gent (18 februari 1906) daagt hij niet meer op. In een interview in De Nieuwe Courant (25 februari 1906) stelt Mac Leod onomwonden en publiekelijk dat hij afstand neemt van de Vlaamse beweging.

Woordenstrijd en verbittering

Een van de vier studenten die in augustus 1901 bij De Trooz de zaak gaat bepleiten, is August Lodewijckx (1876-1964). Hij studeert Germaanse talen en Frans te Gent in de periode 1897-1902, is er actief in ’t Zal Wel Gaan en werkt mee aan de organisatie van de Vlaamse studentencongressen. Eenmaal afgestudeerd, gaat hij als onderzoeker en lesgever achtereenvolgens aan de slag in Leiden (Nederland), Stellenbosch (Zuid-Afrika) en Belgisch Congo. Vanaf 1914 tot aan zijn dood woont en werkt Lodewijckx in Melbourne (Australië). In zijn nalatenschap bevinden zich enkele brieven die Mac Leod hem heeft gestuurd (zie hoger). In die correspondentie kaart de hoogleraar biologie professionele en wetenschappelijke kwesties aan maar spuwt tegelijkertijd uitgebreid zijn gal over de toestand van de (liberale) Vlaamse beweging.6 De teksten bevestigen het verhaal zoals het intussen is opgetekend. Ze geven vooral inkijk in hoe hard de strijd tussen de liberalen wordt gestreden en welke verbittering zich meester maakt van Mac Leod.

Een eerste brief is gedateerd 8 februari 1903. Paul Fredericq heeft intussen via stukken in Het Volksbelang reeds herhaaldelijk zijn ideeën uiteengezet. De tegenstelling is ook publiekelijk pijnlijk duidelijk geworden naar aanleiding van een gebeurtenis op een bijeenkomst van het studentengenootschap ’t Zal Wel Gaan. Op 5 december 1902 spreekt Mac Leod er scherp over de houding van de Vlaamsgezinden binnen de Liberale Partij. Op het einde van deze bijeenkomst betreedt Paul Fredericq de zaal. De sfeer is meteen gespannen en oncomfortabel. Mac Leod en zijn aanhangers nodigen de tegenstrever uit om een week later ook zijn denkbeelden te komen verdedigen. Fredericq gaat er gretig op in. Zijn argumenten krijgen bij het studentenpubliek geen gehoor. Mac Leod stelt tevens voor om de discussie open te trekken naar een breder publiek. Fredericq weigert dit echter.7

Het is naar deze gebeurtenis dat Mac Leod refereert in zijn schrijven aan Lodewijckx, die op dat ogenblik in Leiden zit. “Het is zeer zonderling dat het Volksbelang met geen enkel woord gewag heeft gemaakt van die bespreking in ‘t Zal Wel Gaan. Ik heb op die vergadering aan Prof. Fredericq gevraagd:  1° wat hij nu eigenlijk wilde; 2° of hij zijne denkbeelden wilde neêrschrijven, opdat ik zou kunnen antwoorden, en opdat eenieder zou weten wat hij wil en welke zijne argumenten zijn. Op 1° heeft hij geantwoord dat hij het niet zeggen kon omdat het de inwendige huishouding der Universiteit betreft (sic), op 2° antwoordde hij dat hij geene tijd heeft (sic) en voor ‘t overige dat hij reeds alles geschreven heeft in het Volksbelang (sic.).”

Het ontlokt hem de conclusie: “Zoo staan de zaken: Prof. Fredericq werpt zijne persoon geheel in de balans. Wij zullen nu zien hoeveel Vlamingen er zullen gevonden worden die, uit persoonlijke genegenheid voor prof. Fredericq, de vervlaamsching der Hoogeschool zullen helpen dwarsboomen, en blindelings zullen nemen wat het hem behaagt hun toe te staan.”

Een volgende brief is gedateerd 7 november 1903. Mac Leod heeft nog maar weinig vooruitgang geboekt. Lodewijk De Raet komt met zijn nieuwe studie de rust verstoren. Mac Leod schrijft: “Men meene niet dat de Vlaamsche Hoogeschool er van zelf zal komen. Zij zal er komen als wij al onze krachten inspannen. Anders zullen wij den mond gestopt worden met 5 of 6 facultatieve leergangen, die bij de 150 Fransche leergangen zullen geplakt worden, en daarmede zal het uit en amen zijn, voor altijd. Ik zeg voor altijd, want wie een dergelijke beleediging te hebben ondergaan, zal de Vlaamsche Beweging vallen onder de verachting. Onze tegenstrevers zullen geleerd hebben dat zij van ons niets te vreezen hebben!

Heden had ik een gesprek met een tegenstrever, die den spot dreef met de karakterloosheid der Vlamingen, en zich daarop beriep om te voorzeggen dat wij het doel niet zouden bereiken. Het is treurig zulks te moeten hooren.

Als Gij iets kunt doen, verzuim het dus niet: het zou er misschien van zelf komen, waren wij niet onder de leiding van menschen, die van een Vlaamsche Hoogeschool niet hooren willen. Die menschen durven dit niet bekennen in ‘t openbaar, omdat zij zouden uitgejouwd worden. Zij hebben facultatieve leergangen uitgevonden om ons van de baan af te brengen, en nu is ellendig obstructionisme hunne tactiek. Velen zijn er nog, onder de vlaamschgezinden, die dit niet gelooven kunnen, spreken van bewezen diensten, enz. enz. en die menschen nog steeds als leiders herkennen. Zij, die begrijpen hoe de zaak ineenzit, moeten dus optreden. Anders komen wij er niet.”

Mac Leod weet intussen maar al te goed hoe de tegenstanders van zijn ideeën hem aanvallen. Hij somt het nog eens netjes op voor Lodewijckx: “Onder vier oogen worden allerlei argumenten tegen ons aangevoerd. Ik kan onmogelijk bekomen dat men die zou neêrschrijven, zelfs niet dat men ze zou herhalen onder zes of acht oogen. Ziehier een paar dier argumenten.

1° Wij hebben Waalsche professoren noodig; anders daalt ons wetenschappelijk peil en worden wij tot bekrompenheid veroordeeld (dit argument komt van een vlaamschgezinde zijde).

2° De elementen uit de hoogere klasse der maatschappij kunnen wij niet ontberen. Voorbeeld: [Cumont] (van Aalst), [Hulin] (van Gent). Menschen uit de kleine burgerij kunnen die hoogte niet bereiken. Dit is een nieuw argument.

3° In Holland staat de studie der geschiedenis op een lager peil dan in België, en de beoefenaren dier wetenschap zijn weinig talrijk in Holland. Dus hebben wij het recht niet ons te beroepen op de wetenschappelijke superioriteit van Holland. Dit argument komt van Pirenne, en wordt door anderen herhaald. Is er niemand die daarop zal antwoorden?

4° De vlaamschgezinden zijn karakterloos dienstvolgens is ‘t al boter aan de galg.-

Denk daarover eens na.”

Afscheid van de Vlaamse beweging

Mac Leod is het stilaan beu en drijft verder weg van de Vlaamse beweging. De meeste overzichten stellen dat hij er in 1906 mee breekt. Historicus Filip Martens situeert deze afstand reeds in de zomer van 1905.8 Hij baseert zich daarvoor op een brief van Mac Leod aan Julius Pée op 11 augustus 1905. Een brief in het archief Lodewijckx van 13 augustus 1905 bevestigt dit. Het document leert tegelijkertijd dat Mac Leod niet zo hoog oploopt met de daensisten. Dit is in tegenspraak met het favoritisme voor de daensisten dat Mac Leod wel eens is aangewreven, vooral door zijn tegenstanders. 

“Wat nu de Vlaamsche Hoogeschool betreft, daarvan verwacht ik voorloopig niets goeds. Ik heb mij volkomen onthouden toen het wetsontwerp door Daens en C° werd neêrgelegd, omdat sommige der onderteekenaren te zeer bevriend zijn met de coterie van het Volksbelang (timeo danaos) en ook omdat ik, eilaas! geen volle vertrouwen stel in den heer Daens. Zeer vele vlaamschgezinden denken zooals ik, het wetsontwerp werd met de volkomenste onverschilligheid bejegend, men vreest veeleer dan men hoopt.”

Mac Leod is scherp in zijn analyse: “Het is trouwens onmogelijk met de Vlaamsche Beweging vooruit te gaan zoolang de flaminganten coterie niet verdwenen zij. Die menschen hebben alles ver…beest. Het is walgelijk. Ik bemoei mij met niets meer; ik walg ervan.

"De planten en de schelpen van Kaapland interesseren mij veel meer dan de Vlaamsche Beweging.”

Julius Mac Leod

Tot slot verwijst Mac Leod ook naar het gebrek aan medestanders en hekelt hij de dubbelzinnige houding van anderen: “Ik kan toch niet alleen blijven strijden tegen zoovele gezaghebbende menschen uit alle politieke partijen, terwijl de anderen toekijken en geen vin verroeren om mij behulpzaam te zijn, en zelfs geene gelegenheid laten voorbijgaan om hunne ruggegraat te krommen voor de leiders der flaminganten-coterie. Lees maar liever het berichtje dat Gij hieringesloten zult vinden. In 1830 werd het land der geuzen in tweeën gescheurd, in 1905 vindt men liberale (?) flaminganten (?) om die gebeurtenis feestelijk te herdenken. Zoo diep zijn wij gezonken!”9

Antwoorden op deze brieven zijn (nog) niet gevonden. Lodewijckx heeft het ongetwijfeld niet gemakkelijk om kamp te kiezen. Vanuit zijn studententijd is hij een hevige voorstander van de vernederlandsing van de universiteit en van de denkbeelden van Mac Leod. Anderzijds is Lodewijckx een oud-student van Paul Fredericq en van Jozef Vercoullie, twee tegenstanders van Mac Leod. Zij helpen hem verder op weg voor een wetenschappelijke carrière. Het kan niet anders of hij zit tussen hamer en aambeeld. Mac Leod beseft dit waarschijnlijk wel, wanneer hij aan Lodewijckx schrijft: “Tracht maar in Kaapland Uwen weg te maken, voorloopig is het hier voor een eerlijk man met gezond verstand een droevige tijd.”

Mac Leod concentreert zich de komende jaren verder op zijn wetenschappelijke carrière tot hij op 3 maart 1919 overlijdt. Ook al zijn er diepe wonden geslagen, de gemoederen komen in die jaren nadien wel tot rust. In het huldeboek dat tien jaar na het overlijden van Mac Leod verschijnt, heeft Jozef Vercoullie het nog wel over deze periode en de strijd der stelsels: “Dat heeft wel een tijdelijke verwijdering van Mac Leod voor mij teweeggebracht, maar onze wederzijdsche vriendschap en genegenheid onverminderd gelaten. Van 1900 af gingen de maanden voorbij in een onvruchtbaar gekibbel over het stelsel Mac Leod en het stelsel Fredericq, totdat Mac Leod zich in 1906 uit den Vlaamschen strijd en uit de Vlaamsche wetenschappelijke beweging terugtrok.”10

Lodewijckx trekt verder volop de internationale kaart en bouwt een academische carrière uit in Australië. Wellicht is dit niet enkel een gevolg van de raad van Mac Leod om buiten Vlaanderen een weg te zoeken, maar de kans is evenwel groot dat het ergens heeft meegespeeld om zich niet meer al te actief op de paden van de Vlaamse beweging te begeven.

Bronnen, noten en/of referenties

1. Biografische informatie over Mac Leod: Albert Jacques Joseph Vandevelde, Dr. Jul. Mac Leod. Levensschets met bibliographische aantekeningen (Gent: Erasmus, 1921); Hendrik Jozef Elias, Geschiedenis van de Vlaamse gedachte. Deel 4 (Antwerpen: De Nederlandsche Boekhandel, 1965) 40-46; Pieter Van Hees, ‘Mac Leod, Julius’, in: Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, ed. Reginald De Schryver (Tielt: Lannoo, 1998) p. 1977-1979.

2. Deze commissie bestond uit Max Rooses, Julius Obrie, Pol De Mont, Leonce du Catillon, Julius Mac Leod, Edward Boucqué, Edmond Fabri, Florent Heuvelmans, Julius Van der Linden, Julius Sabbe, Jan van Rijswijck, Juliaan De Vriendt en Leonard Willems. Mac Leod was verslaggever, vandaar de naamgeving.

3. Henry Bossaert, Julius Mac Leod en de vervlaamsing (Uit het verleden van de R.U.G., 4) (Gent: Archief Rijksuniversiteit Gent, 1977). De ideeën van Paul Fredericq over deze kwestie zijn terug te vinden in diverse stukken over de kwestie gepubliceerd in Het Volksbelang (zie bijvoorbeeld het hoofdartikel “De vervlaamsching der Gentsche Hoogeschool”, in: Het Volksbelang, 36, nr. 7 (15 februari 1902) en in het derde deel van zijn werk Schets eener Geschiedenis der Vlaamsche Beweging (Gent: Hoste, 1909) (vnl. hoofdstuk X, 147-236).

4. Hendrik Jozef Elias, Geschiedenis van de Vlaamse gedachte. Deel 4 (Antwerpen: De Nederlandsche Boekhandel, 1965) 146-147. Elias beschrijft de situatie bij de Liberale Partij als volgt: “Eerst en vooral moet Jul. De Vigne, als gekozene van de liberale burgerij te Gent, beslist om electorale redenen rekening houden met de liberale associatie die zeker geen voorstander van de vernederlandsing als hoofd van haar lijst voor Kamer of Senaat zou geduld hebben. Ten tweede stelde het vraagstuk voor de Gentse liberale flaminganten die geen mandaat te verdedigen hadden, maar met hart en ziel in de liberale politiek stonden, de kwestie van de eenheid in de partij en daardoor van haar macht op de politiek gebied. Ten derde (…) werd de vernederlandsing gezien in het licht van de klerikale en antiklerikale tegenstellingen.” Zie ook Gita Deneckere, Uit de ivoren toren. 200 jaar Universiteit Gent (Gent: Tijdsbeeld,  2017) 175: “Eind 1899 kwam (!) het tot een breuk tussen Fredericq en zijn neef Mac Leod. Mac Leod schreef het – terecht – aan de druk van de Franstaligen in de vrijmetselaarsloges toe dat de Gentse Vlaams-liberalen zich zo gematigd opstelden.

5. Paul Fredericq, Schets eener Geschiedenis, 215: “Het was overigens eene zuiver platonische betooging; eene loutere bevestiging van het beginsel.”; geherformuleerd door Hendrik Elias, Geschiedenis van de Vlaamse gedachte. Deel 4, 152: “Het was louter een gebaar en de formulering van een principe, zonder modaliteiten van toepassing.

6. The University of Melbourne Archives, Archief Lodewyckx, Augustin (1975.0040). Het archief is door de auteur digitaal geconsulteerd in voorbereiding op een biografische schets van Lodewijckx. Naast de correspondentie die betrekking heeft op de vernederlandsing van de Gentse universiteit zijn er nog twee brieven uit 1901 waarin Mac Leod advies geeft voor de carrière van Lodewijckx en ook een van meer algemene aard.

7. Paul Fredericq, Schets eener Geschiedenis, 195-196.

8. Filip Martens, Julius Mac Leod en de radicalisering van de Vlaamse studentenbeweging (licentiaatsverhandeling, UGent, 2005-2006) 238. Martens stelt op p. 94 dat Mac Leod reeds in 1903 vervreemdde van de Vlaamse beweging en zeker in de zomer van 1905 daar meer dan eens blijk van gaf. Het interview in De Nieuwe Courant, door Paul Fredericq en andere auteurs als bepalend beschouwd, is de formele bevestiging van een proces dat reeds langer bezig is.

9. In het archief zit deze bijlage niet bij de brief en het is niet duidelijk waarover het precies gaat. De Vlaamsgezinde liberalen organiseerden in augustus 1905 een groot huldemoment in Antwerpen naar aanleiding van het 75-jarige bestaan van België. Paul Fredericq schrijft er in lovende woorden over in Paul Fredericq, Schets eener Geschiedenis, 242-251.

10. Jozef Vercoullie, ‘Mac Leod en de Vlaamsche Hoogeschool’, in: Mac Leod Gedenkboek (Antwerpen: De Sikkel, 1930), 87-91.

Hoe verwijs je naar dit artikel?

Peter Laroy, "Julius Mac Leod en de vernederlandsing van de Gentse universiteit", Liberas Stories, laatst gewijzigd 08/12/2022.
copy url

Colofon

Liberas Stories is een realisatie van cultuurarchief Liberas. Het werd ontwikkeld door Josworld en Webdoos naar een concept van Ruben Mantels. Aan de hand van een ‘Atlas’ en een ‘Magazine’ vertelt Liberas Stories de geschiedenis van het liberalisme en worden de collecties van Liberas gepresenteerd. Deze website werd gelanceerd in juni 2021 en is sindsdien verder uitgebouwd.

De inhoud van dit portaal is bestemd voor Liberas’ erfgoedgemeenschap, maar ook voor studenten, onderzoekers en journalisten en voor iedereen die ons erfgoed wil ontdekken. Het is geen catalogus van onze collectie: die vind je op liberas.eu.

Alle teksten op deze website mogen hergebruikt worden mits het overnemen van de auteurs- en bronvermelding. Alle opmerkingen met betrekking tot Liberas Stories - vragen, aanvullingen, correcties, suggesties voor nieuwe bijdragen - zijn welkom op info@liberas.eu. 

Volg ons op