Onze website gebruikt cookies om je surfervaring te verbeteren. Om deze website optimaal te gebruiken vragen we je om akkoord te gaan met ons gebruik van cookies.

Ik ga akkoord liever niet.

De progressistische partij (1887-1900)

Het partijprogramma dat op het stichtingscongres van juni 1846 wordt goedgekeurd, blinkt op meer dan één punt uit in vaagheid en veralgemening. Van bij de start is duidelijk dat ‘de’ liberale partij een fictie is. Progressieve liberalen eisen erkenning door een doctrinaire meerderheid en zien hun standpunten voorzichtig opgenomen worden in het eerste partijprogramma. Twee visies op liberalisme, met daar tussenin nog een heel spectrum, staan garant voor zowel een immense ideeënrijkdom als voor kwetsbaarheid.

De congressen van 1846 en 1847: krijtlijnen

Het Unionisme - de afgedwongen politieke eensgezindheid uit de beginjaren van de jonge Belgische staat - komt eind jaren 1830, begin jaren 1840 steeds meer onder druk te staan. Liberalen en katholieken komen op steeds meer fronten lijnrecht tegenover elkaar te staan en zoeken naar een duidelijke profilering en interne eensgezindheid. Op initiatief van enkele prominenten roept de Brusselse liberale groepering L’Alliance in 1846 een nationaal congres samen, met als doel de oprichting van een partij. Honderden leidende figuren uit het hele land geven gehoor aan de oproep en verzamelen in Brussel. Op een bij tijden tumultueus congres, dat geleid wordt door Eugène Defacqz, blijkt de eensgezindheid soms ver te zoeken. Behoudsgezinden (doctrinairen) en progressieven (radicalen) zetten hun - soms ver uiteenlopende - visie uiteen maar blijven onder druk van de organisatoren ook zoeken naar essentiële raakpunten. Deze worden gepubliceerd in de vorm van negen congresresoluties en zes programmapunten: een uitbreiding van het kiezerskorps via verlaging van de kiescijns en de invoering van bekwaamheidskiezers, de onafhankelijkheid van de burgerlijke macht, de inrichting van officieel onderwijs op alle onderwijsniveaus, de afschaffing van de nog resterende reactionaire wetten, de verhoging van het aantal volksvertegenwoordigers en senatoren met het oog op een accuratere vertegenwoordiging van elke regio en ten slotte de verbetering van de levensomstandigheden van de laagste bevolkingsklassen.1

Nog geen jaar later, in maart 1847, volgt een tweede congres. Op het programma staat de vorming van een efficiënte partijstructuur. En hier gaat het al fout. Enkele grote federaties sturen hun kat, zoals Brugge, Oudenaarde, Ieper en ook de belangrijke Gentse kiesvereniging. De belangrijkste dissidenten bevinden zich echter in Luik en Brussel, twee grootsteden met zowel een radicale als een behoudsgezinde liberale associatie. De behoudsgezinden blijven thuis en beperken hun delegatie tot enkele waarnemers zonder stemrecht. Onder de afwezigen zijn grote namen zoals Théodore Verhaegen en Walthère Frère-Orban. De afwezigheden kunnen makkelijk worden verklaard: de organiserende Brusselse liberale kieskring L’Alliance is in de ogen van de conservatieve doctrinairen verworden tot een broeinest van progressisme. Het congres gaat zonder verdere afspraken uit elkaar en de teleurstelling is groot.2

Lokale initiatieven

In de daaropvolgende jaren zijn de doctrinairen ongenaakbaar. Zij leggen het nationaal beleid van de partij vast en domineren de liberale regeringen van de negentiende eeuw. Doctrinaire sleutelfiguren als Charles Rogier en Walthère Frère-Orban slagen er via kleine toegevingen en occasioneel overleg in om de progressieve vleugel aan boord te houden. Zij worden in die dominante rol flink geholpen door de door henzelf gecreëerde institutionele structuur. Het vigerende cijnskiesrecht bevoordeligt immers in heel sterke mate de achterban van de doctrinairen, zijnde de hogere burgerij. De grote maatschappelijke verandering die de progressisten nastreven, vindt vooral steun bij de middenklasse, die helaas (nog) geen stemrecht heeft, en bij de opkomende arbeidersbeweging die een belangrijke impuls krijgt vanuit de Eerste Internationale vanaf 1864. Met andere woorden, status quo haalt het voorlopig nog van emancipatie en democratisering.

Paul Janson (1909). Tekening uit het album "Ceux d'Ici" van Henry Lemaire.

Het ongenoegen binnen de progressieve vleugel blijft dan ook sudderen, en dit uit zich de eerste decennia vooral op lokaal en arrondissementeel niveau. Stedelijke associaties in onder meer Luik, Gent, Bergen, Brugge, Verviers en vooral Brussel waar Paul Janson en Charles Potvin c.s. in 1863 de Meeting libéral oprichten, worden het schouwtoneel van interne strijd tussen de twee fracties. Doctrinairen in het ene geval en progressisten in het andere, scheuren zich af van de moedervereniging en richten een eigen liberale kring of associatie op. Kenmerkend is hier de uitgebreide inzet van de pers. Beide groepen geven eigen kranten en weekbladen uit die de politieke visie en het maatschappelijk project toelichten. Deze ideologische strijd loopt echter zelden uit de hand want er heerst ook een bewust opportunisme. De klerikale kiesverenigingen blijven immers de prioritaire antagonisten en in electorale zaken wordt nog vrij makkelijk aan één zeel getrokken. Gevallen waarin dit mislukt en de katholieken met de kiesoverwinning gaan lopen, zoals in Gent in 18543, dienen als reminder en de meeste liberalen, uit beide kampen, kiezen eieren voor hun geld.4

Scheuring lonkt, de casus ‘Gent’

Het Gentse liberalisme is een mooi voorbeeld van dat ‘huis met vele kamers’. De Gentse Liberale Associatie slaagt er, net zoals haar collega’s in andere steden, in eerste instantie in om de eenheid te bewaren via voorzichtige compromissen. In 1857 bijvoorbeeld kunnen ook niet-kiezers lid worden van de (doctrinaire) Associatie. In 1867 komt er een nieuwe en meer representatieve interne structuur voor de vele ondercomiteiten, waardoor de progressisten hier en daar sleutelposities kunnen innemen. In 1872 voert het bestuur – op voorstel van Gustave Rolin-Jaequemyns - een vorm van evenredige vertegenwoordiging in bij de samenstelling van het middencomiteit, het toenmalige equivalent van het partijbestuur, wat naast progressisten ook flaminganten in het bestuur brengt.

Paul Voituron.

Maar het is in zekere zin too little too late. De liberale nederlaag in de parlementsverkiezingen van juni 1874 wordt de grote katalysator. Paul Voituron en Henri de Brouckère richten enkele weken na het debacle de Progressistenkring op, die zich profileert met een programma waarin doorgedreven sociale emancipatie, taalrechten en absolute scheiding van kerk en staat centraal staan. Overleg met de Liberale Associatie loopt op niets uit en in november van datzelfde jaar worden de progressisten op voorstel van de leidende conservatieven uit de partij gezet. In 1875 komen de twee verenigingen tegen elkaar op bij de gemeenteraadsverkiezingen, die op verpletterende wijze door de conservatieven worden gewonnen.5 In de daaropvolgende maanden volgt een voorzichtige toenadering waarbij de progressisten water in de wijn doen en de doctrinairen - door een gedeeltelijke verjonging van hun bestuur - beloven meer ruimte te geven aan progressieve ideeën. De Gentse progressisten ervaren eveneens dat een nationaal gecoördineerd progressisme voorlopig een onhaalbare kaart blijft en de uitzichtloosheid doet velen afhaken. Samen met  de doctrinairen winnen zij de nationale verkiezingen van 1878. De samenwerking verloopt relatief rimpelloos zolang de regering Frère-Orban aan de macht is, maar de kiesnederlaag van 1884 maakt daar een abrupt einde aan.

De Gentse Liberale Associatie trekt zich, net als haar zusterassociaties, terug in een defensief conservatisme. De progressisten scheuren zich in 1888 voor een tweede keer af als de Vooruitstrevende Liberale Kring van het arrondissement Gent en de Brouckère neemt samen met Felix Cambier en Constant Heynderyckx het voortouw. In tegenstelling tot de eerder halfslachtige afscheuring in 1874, pogen de progressisten om ditmaal als “liberaal-democraten” (term uit hun jaarverslag van 1890) een echt politiek alternatief te bieden. Hierbij worden ze voor het eerst geruggensteund door een nationale Progressistische Partij.6

Rijzende ster Paul Janson

In 1877 overlijdt de progressieve Brusselse volksvertegenwoordiger Ghislain Funk en de Association libérale stelt twee kandidaat-vervangers voor: de doctrinair Eugène Goblet d’Alviella en Paul Janson. Janson wint de tussentijdse verkiezing en trekt naar het parlement met als voornaamste programmapunten de definitieve scheiding tussen kerk en staat en de lotsverbetering van de arbeidersklasse. In zijn eerste tussenkomsten in de Kamer volgt hij nog de algemene beleidslijnen van zijn partij en verdedigt met vuur onder meer het wetsvoorstel van Pierre Van Humbeeck over het lager onderwijs. Maar hij gaat ook hier een stap verder dan het meerderheidsstandpunt binnen de partij en eist bijkomend dat het onderwijs gratis en verplicht zou worden.

Emile Féron (1909). Tekening uit het album "Ceux d'Ici" van Henry Lemaire.

Ondanks zijn dikwijls radicale standpunten neemt zijn invloed binnen de partij toe. De progressistische vleugel krijgt een steeds grotere aanhang en in 1881 wordt Janson verkozen tot voorzitter van de Brusselse Association libérale die onder zijn leiding een bocht naar links maakt. De schoolstrijd blijft een prioritair thema, maar daarnaast start Janson samen met figuren als Emile Féron en Charles Potvin een campagne voor de hervorming van het kiesrecht. Zo herlanceert hij een voorstel van Jottrand en Demeur uit 1871 waarin stemrecht op gemeentelijk en provinciaal niveau wordt toegekend aan alle Belgen die kunnen lezen en schrijven. In 1882 staat hij mee aan de wieg van de Liga voor de Hervorming van het Stemrecht, die ijvert voor de afschaffing van de cijnskieswet. Een jaar later dient hij een eerste wetsvoorstel in ter herziening van de kieswet maar de weerstand van de conservatieven in de Kamer is nog te groot. Het voorstel wordt niet in overweging genomen. Zijn denkbeelden wil hij ook verspreiden via de pers. In 1884 leidt dat tot de oprichting van het dagblad La Réforme, dat op korte tijd uitgroeit tot de meest invloedrijke spreekbuis van de voorstanders van de kieshervorming.7

1884 is een zwart jaar voor de Belgische liberalen. Een verpletterende kiesnederlaag brengt de katholieken aan het bewind en luidt het begin van dertig jaar liberale oppositie in. Ook voor Janson zijn de gevolgen zwaar. Hij verliest zijn Kamerzetel en de Brusselse Association libérale valt na veel getwist uit elkaar. Onder leiding van Pierre Van Humbeeck, Karel Buls en Charles Graux scheuren de doctrinairen zich af en richten de Ligue libérale de Bruxelles op. De Association libérale van Janson komt volledig in handen van de progressisten terwijl de gematigden onder leiding van Goblet d’Alviella en Julius Hoste sr. zich verenigen in een afzonderlijke vereniging die een brugfunctie vervult tussen de twee antagonisten.8

Herinnering aan de liberale manifestatie van 6 november 1904, met portretten van Emile Féron, Paul Janson en Paul Hymans. 

Oprichting van de Progressistische Partij

Na de zware sociale onlusten van 1886 beginnen Janson en Féron in alle ernst te werken aan een nieuwe progressistische eenheidspartij van arbeiders en burgerij onder leiding van de liberalen. Het belangrijkste doel is de afschaffing van het cijnskiesrecht zodat de macht van de klerikalen kan worden gebroken. In mei 1887 gaat Jansons droom in vervulling en zit hij het eerste Progressistisch Congres voor. Een brede coalitie van socialisten en progressieve liberalen keurt een programma goed dat een verregaande democratisering van de Belgische samenleving inhoudt. De meer dan zeshonderd aanwezigen stemmen (in volgorde) volgende programmapunten: uitbreiding van het stemrecht tot alle burgers die kunnen lezen en schrijven, verhoogde toegankelijkheid tot de Senaat, invoering van verplicht (gelaïciseerd) lager onderwijs, reglementering van kinder- en vrouwenarbeid, onmiddellijke en absolute scheiding van Kerk en Staat, afschaffing van het lotelingensysteem, herziening van het belastingstelsel ten voordele van de kleine verdiener, invoering van verregaande sociale rechten voor werknemers, democratisering van het kredietwezen, gelijkheid van de twee landstalen en invoering van stemplicht.9

Dit eerste van zeven progressistische congressen op dertien jaar tijd zet de vele verzuchtingen van progressief België op een rij en gaat op zoek naar een parlementair draagvlak, onder meer binnen de vrijmetselaarswereld. In vele loges is immers begrip voor dit streven naar lotsverbetering en democratisering. Het onthaal in de politieke wereld blijft echter lauw. Conservatieve katholieken en doctrinaire liberalen kijken wat meewarig naar deze hemelbestormers die ze weinig slaagkansen toedichten. De socialistische pers, met Le Peuple op kop, is dan weer teleurgesteld dat gekozen werd voor een liberaal burgerlijke kieshervorming in plaats van een onmiddellijke eis tot invoering van algemeen enkelvoudig stemrecht. Inhoudelijk legt dit congres wel de krijtlijnen vast waarbinnen het parlement in de komende decennia emancipatie zal aanpakken.10

Parlementaire actie

In 1889 keert Janson terug naar de Kamer van volksvertegenwoordigers en wordt er de gepassioneerde woordvoerder van de Belgische progressisten.11 In 1890 dient hij een wetsvoorstel in ter herziening van een aantal grondwetsartikelen betreffende het kiesrecht. De Kamer keurt dit voorstel goed. Op het derde Progressistisch Congres dat kort nadien volgt, moet dan ook een keuze worden gemaakt welke kieshervorming men in het parlement zal verdedigen. Om de coalitie met de socialisten niet in gevaar te brengen, besluit het congres om alle mogelijke tussenfasen over te slaan en de progressisten opteren resoluut voor de verdediging van het algemeen enkelvoudig stemrecht. De daaropvolgende discussies in het parlement verlopen op het scherp van de snee. Het verzet tegen het algemeen enkelvoudig stemrecht blijkt veel te sterk te zijn en na drie jaar debatteren keurt het parlement in 1893 het voorstel Nyssens goed, dat het algemeen meervoudig stemrecht in combinatie met een meerderheidsstelsel introduceert. Dit compromis komt helemaal tegemoet aan de katholieke conservatieve vleugel, die als enige van deze kieswetwijziging kan profiteren. De progressisten trekken aan de alarmbel en starten een campagne voor de gelijktijdige invoering van het evenredigheidsstelsel zodat de schade voor de progressisten en de liberalen beperkt zou blijven, maar falen.

De liberale en progressistische verkiezingsnederlaag van 1894 is van een nooit eerder geziene omvang. Janson wordt, net als vele andere progressisten, niet herkozen maar kan via het pas ingevoerde systeem van provinciale senatoren zetelen in de Senaat. De progressisten blijven hun ideeëngoed verdedigen maar de schwung is eruit. Bovendien worden zij door velen met de vinger gewezen voor de eclatante kiesoverwinning van de katholieken, het absolute tegengestelde van wat zij beoogden en waarvan zij droomden. In 1900 komt een einde aan dit experiment. De liberale progressisten worden opgeslorpt door de oude moederpartij, de socialisten sluiten zich aan bij de Belgische Werkliedenpartij.12

Een aantal onder hen, opnieuw vooral op lokaal vlak, blijft verweesd achter en valt tussen twee stoelen of kan nog tot de Eerste Wereldoorlog een vorm van partijpolitieke autonomie in stand houden. Voorbeeld hiervan is Gent, waar de progressisten van Constant Heynderickx en Felix Cambier tot 1919 een afzonderlijke fractie blijven vormen in de gemeenteraad.13

Herdenkingsmedaille nav. het honderdjarig bestaan van de Liberale Partij (1946). Paul Janson prijkt als voorzitter van de progressisten naast de drie andere groten van de partij, Rogier, Frère-Orban en Hymans.

De droom om een grote progressieve partij op te richten wordt nooit helemaal opgeborgen. Zo lijken in 1911 zowel de liberale als de socialistische partij bereid te zijn om over samenwerking te praten. Het onvermogen van beide partijen om op eigen houtje de macht van de katholieken te breken, zorgt voor een heropleving van de kartelgedachte. In de aanloop naar de parlementsverkiezingen van 2 juni 1912 besluiten de nationale leiders van beide partijen gezamenlijk naar de kiezer te trekken. Het kartel voert een heftige antiklerikale campagne maar kan de kiezer niet overtuigen. De katholieken behouden hun absolute meerderheid, die zelfs stijgt van acht zetels naar een comfortabele twintig.

Op 19 april 1913 overlijdt Janson. De Liberale Partij verliest hiermee een van de belangrijkste boegbeelden van de strijd voor sociale rechtvaardigheid en democratie uit de Belgische geschiedenis  en alle hoop op een linkse eenheidspartij wordt begraven.14

Bart D'hondt, Liberas, 2021.

Bronnen, noten en/of referenties

1. Congrès Libéral de Belgique. Séance du 14 juin 1846 (Brussel: 1846). 

2. Congrès libéral de Belgique séance du dimanche 28 mars 1847 (Brussel: Raes, 1847).

3. Marc Reynebeau, ‘Een ‘zwarte zondag’ in Gent in 1854’, in: Docendo discimus. Liber amicorum Romain Van Eenoo, eds. Jan Art en Luc François (Gent: Academia Press, 1999), 783-796.

4. Patrick Lefèvre, ‘De Liberale Partij als organisatie van 1846 tot 1914’, in: Het liberalisme in België. Tweehonderd jaar geschiedenis, eds. Adriaan Verhulst en Hervé Hasquin (Brussel/Gent: Delta/Paul Hymanscentrum/Liberaal Archief, 1989) 75-82; Marc Mayne, ‘Rood en Blauw. De politieke jeugdjaren van Paul Janson 1861-1877’, in: Liberalisme, nr. 12 (1993): 65-91; Christoph De Spiegeleer, ‘Charles Potvin (1818-1902) en de progressistische politieke cultuur’, in: Belgisch Tijdschrift voor Filologie en Geschiedenis, 91, nr. 2 (2013): 387-425.

5. Het Programma van den Progressistenkring van Gent, met uitleggingen door M. Paul Voituron, Voorzitter des Krings en gewezen schepen van Gent (Gent: De Busscher, 1875).

6. Guy Vanschoenbeek, Novecento in Gent. De wortels van de sociaal-democratie in Vlaanderen (Gent: Hadewijch / Amsab, 1995), pp.232-246; Elke Decruynaere, De Progressisten in Gent (1874-1919) en hun band met de BWP (licentiaatsverhandeling, UGent, 2003); Carmen Van Praet en Bart D’hondt, ‘Paul Voituron en zijn denktank (1874-1876). Levensschets en progressief gedachtegoed van een Gentse liberaal’, in: Handelingen der Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent, 66 (2012): 175-204; Bart D’hondt, Van Andriesschool tot Zondernaamstraat. Gids door 150 jaar liberaal leven te Gent (Gent: Snoeck / Liberaal Archief, 2014), 19-21, 40-41.

7. J. Gaillard, ‘Un évènement politique méconnu: le congrès libéral progressiste des 29 et 30 mai 1887’, in: Res Publica, 16, nr.5 (1974): 589-600 ; Jean-Luc De Paepe, La Réforme, organe de la démocratie libérale 1884-1907 (Leuven: ICHG, bijdrage 74, 1972); Johan Basiliades, ‘De lotgevallen van het radicalisme in België. Het ontstaan, de opkomst en de ondergang van een negentiende-eeuwse links-liberale stroming’, in: Een vierde weg? Links-liberalisme als traditie en als oriëntatiepunt, eds. Patrick Stouthuysen en Sven Gatz (Brussel: VUB PRESS, 2001) 33-62.

8. Lefèvre, ‘De Liberale Partij als organisatie van 1846 tot 1914’, 75-82.

9. Congrès libéral progressiste de Belgique. Seances des 29 et 30 mai 1887 (Brussel, 1887); Doreen Gaublomme, ‘Doctrinairen en progressisten tijdens de 19e eeuw’, in: Het liberalisme in België. Tweehonderd jaar geschiedenis, eds. Adriaan Verhulst en Hervé Hasquin (Brussel/Gent: Delta/Paul Hymanscentrum/Liberaal Archief, 1989) 201-208; Joseph Tordoir, Paul Janson (1840-1913). Un libéral à la conquête du suffrage universel. Exposition. Hôtel de Ville de Saint-Gilles du 23 au 28 février 1999 (Brussel: Archives libérales francophones du Centre Paul Hymans, 1999) 53-55.

10. Gaillard, ‘Un évènement politique méconnu’, 589-600.

11. Zie onder meer Discours parlementaires de Paul Janson (Brussel: Imp. Veuve Monnom, 1905) 2 dln.

12. Tordoir, Paul Janson (1840-1913), 57-106.

13. Decruynaere, De Progressisten in Gent (1874-1919), 47-73; D’hondt, Van Andriesschool tot Zondernaamstraat, 40-41.

14. Gaublomme, ‘Doctrinairen en progressisten tijdens de 19e eeuw’, 201-208.

1 2 3 4 5 6 7 8 9

Hoe verwijs je naar dit artikel?

Bart D'hondt, "De progressistische partij (1887-1900)", Liberas Stories, laatst gewijzigd 15/06/2021.
copy url

Colofon

Liberas Stories is een realisatie van cultuurarchief Liberas. Het werd ontwikkeld door Josworld en Webdoos naar een concept van Ruben Mantels. Aan de hand van een ‘Atlas’ en een ‘Magazine’ vertelt Liberas Stories de geschiedenis van het liberalisme en worden de collecties van Liberas gepresenteerd. Deze website werd gelanceerd in juni 2021 en is sindsdien verder uitgebouwd.

De inhoud van dit portaal is bestemd voor Liberas’ erfgoedgemeenschap, maar ook voor studenten, onderzoekers en journalisten en voor iedereen die ons erfgoed wil ontdekken. Het is geen catalogus van onze collectie: die vind je op liberas.eu.

Alle teksten op deze website mogen hergebruikt worden mits het overnemen van de auteurs- en bronvermelding. Alle opmerkingen met betrekking tot Liberas Stories - vragen, aanvullingen, correcties, suggesties voor nieuwe bijdragen - zijn welkom op info@liberas.eu. 

Volg ons op