Onze website gebruikt cookies om je surfervaring te verbeteren. Om deze website optimaal te gebruiken vragen we je om akkoord te gaan met ons gebruik van cookies.

Ik ga akkoord liever niet.

Founding fathers

Na de start in 1846 vindt de Liberale Partij zichzelf, onder impuls van zijn  boegbeelden, meermaals opnieuw uit. Vernieuwings- en verruimingsoperaties zijn er een cyclisch fenomeen.

1830-1860: van revolutie…

Zowel in de aanloop naar de revolutie van 1830 als in de directe nasleep profileert zich een eerste generatie founding fathers. In het Voorlopig Bewind, dat België door de eerste maanden van de onafhankelijkheid loodst, zetelen zowel katholieken als liberalen. Onder deze laatsten Alexandre Gendebien, Louis De Potter, Sylvain Van de Weyer en Joseph Van der Linden, die grotendeels in de mist der tijden verdwenen zijn. Naast hen zetelt echter ook Charles Rogier die als eerste founding father mag worden beschouwd. Hij is minister in enkele unionistische regeringen en verdedigt er, samen met kompanen van het eerste uur, Albert Goblet d'Alviella, Joseph Lebeau, Charles de Brouckère en Paul Devaux, de liberale standpunten. De onverzettelijkheid van de katholieken inzake de scheiding van Kerk en Staat, voor Rogier een cruciaal aspect van de door hem mee onderhandelde grondwet, veroorzaakt in de loop van de jaren 1840 een definitieve breuk tussen katholieken en liberalen. In 1846 richten de liberalen de eerste politieke partij van België op, in afwezigheid van Rogier, maar hij wordt desondanks hét boegbeeld van de liberale regeringen in de daaropvolgende decennia.

Het Voorlopig Bewind van België. Vlnr. Alexandre Gendenbien, André-Edouard Jolly, Charles Rogier, Louis De Potter, Sylvain Van de Weyer, José de Coppin, Félix de Mérode, Joseph Vanderlinden en Emmanuel van der Linden d'Hoogvorst (1831).

De ‘kroonprins’ staat intussen echter al te trappelen. De tien jaar jongere Walthère Frère-Orban, die wel actief aanwezig was op het congres van 1846, volgt in de jaren 1860 Rogier op als primus inter pares.

Frère-Orban. Medaille nav. het 100-jarig bestaan van het Gemeentekrediet van België (1960).

1860-1884: … tot consolidatie

Walthère Frère-Orban neemt in de jaren 1860 tot 1880 de Liberale Partij op sleeptouw. Hij wordt de founding father van een nieuwe combattief antiklerikale generatie van liberale politici met een economisch programma dat België naar de top van de industriële wereld stuwt. Met Pierre Van Humbeeck op Onderwijs, Gustave Rolin-Jaequemyns op Binnenlandse Zaken en Jules Bara op Justitie gaat Frère-Orban tijdens zijn tweede premierschap (1878-1884) de clerus te lijf in een verscheurende alles- of-niets schoolstrijd die het hele land op zijn kop zet. Intussen opent hij samen met Charles Graux als minister van Financiën een aanval op de wereldmarkt en verlost België van de laatste resten van een ancienrégime-economie. De stadstollen verdwijnen, een modern bank- en spaarsysteem doet met de oprichting van het Gemeentekrediet en de Algemene Spaar- en Lijfrentekas zijn intrede en met alle belangrijke buitenlandse handelspartners worden vrijhandelsverdragen gesloten. Het doctrinaire of conservatieve karakter van Frère-Orbans liberalisme botst in de jaren 1880 echter op zijn limieten. De signalen van de progressieve vleugel onder leiding van Paul Janson c.s. worden ten onrechte genegeerd en dit terwijl het antiklerikaal offensief strandt op een liberaal verkiezingsdrama. Na deze regering verdwijnen de liberalen decennialang in de oppositie.

1884-1914: burgervaders en wijkverantwoordelijken

De opkomende democratisering van de samenleving, inclusief de evolutie van het stemrecht, dwingt de liberalen in het laatste kwart van de negentiende en begin twintigste eeuw tot bezinning. De focus op de hogere burgerij, die tot dan de verkiezingen monopoliseerde, dreigt zich tegen de partij te keren. Lokale verankering en aandacht voor de verzuchtingen van de middenklasse, tot frustratie van sommigen zelfs van de arbeidersklasse, wordt snel een prioriteit. De impact van de grote “burgervaders” wordt in deze context een stuk belangrijker. Figuren als Charles Buls (Brussel), Jan Van Rijswijck (Antwerpen), Emile Braun (Gent), Jules Audent (Charleroi), Leopold Vanderkelen (Leuven), Victor Carbonelle (Doornik) en Emile Cuvelier (Namen) nemen die rol op zich. Minstens even belangrijk, en in hindsight belangrijker dan de grote kopmannen, zijn de honderden anonieme founding fathers van de gedemocratiseerde liberale partij, met name de enthousiaste trekkers van de lokale - tot op wijkniveau - kringen doorheen het hele land. Zij organiseren meetings en volksfeesten, geven een krantje uit, gaan in rechtstreeks gesprek met hun potentiële kiezers, en zijn zichtbaar aanwezig in wijk, gemeente en stad. Hun gezamenlijke inzet legt uiteindelijk de fundamenten van wat ooit een volkspartij moet worden.

Affiche met de kandidaten van de Liberale Partij voor de parlementsverkiezingen van 26 mei 1929.

1920-1940: laveren

In de  naweeën van de Eerste Wereldoorlog ondergaat de Belgische politiek een drastische wijziging. De invoering van het algemeen enkelvoudig stemrecht, voor mannen welteverstaan en een heel beperkt aantal vrouwen, zorgt voor een massificatie van het kiespubliek. De Liberale Partij is nu verplicht om te vervellen tot een volkspartij, maar dit gaat moeizaam. Progressieve figuren als Edouard Pecher, Arthur Vanderpoorten, Victor de Laveleye, Marcel-Henri Jaspar en Paul-Emile Janson slagen er maar mondjesmaat in om de oude conservatieve vleugel met ervaren doch old school politici als Paul Hymans, Albert Devèze, François Bovesse en Maurice Lippens in de nieuwe richting te duwen. Bij de maatschappelijke verrechtsing van de jaren 1930 en tijdens de Tweede Wereldoorlog positioneert de Liberale Partij zich nadrukkelijk in het democratische kamp, waarvoor een hoge tol in mensenlevens wordt betaald en veelbelovende politici vroegtijdig van het toneel verdwijnen.

In deze jaren duiken in de hoogste partijgeledingen ook de eerste founding mothers op. Marthe Boël, Alice Buysse, Emilie Speth en Jane Brigode stampen in een recordtijd een liberale vrouwenbeweging uit de grond. In 1923 houden zij de Nationale Federatie der Liberale Vrouwen boven de doopvont en het reeds bestaande netwerk van lokale vrouwenafdelingen en -kringen krijgt een nieuwe dynamiek. Zij veroveren eveneens zetels in de nationale partijorganen en beginnen vol enthousiasme aan de steile klim richting politieke gelijkheid voor man en vrouw. Als het partijvoorzitterschap tijdens de oorlog vacant wordt, nemen de twee ondervoorzitters die taak op zich. Brigode leidt, samen met Fernand Demets, als eerste vrouwelijke partijvoorzitter van het land de partij door de oorlog.

1944-1960: zicht op de wereld

Na de Tweede Wereldoorlog breekt ook voor de Liberale Partij een periode van mondialisering aan. In eigen land wordt - in de schaduw van de Koningskwestie - werk gemaakt van een aantal dringende thema’s zoals de naoorlogse heropbouw, het gezond maken van de Belgische economie, de creatie van de sociale zekerheid en de verdere democratisering van het stemrecht, maar de internationale samenwerking staat op gelijke voet bovenaan de agenda. Partijvoorzitter Roger Motz is actief betrokken bij de opstelling van het Manifest van Oxford en Jean Rey wordt een spilfiguur bij de eenmaking van Europa. Tot een echte vernieuwing van de partij komt het echter niet. Motz maakt een voorzichtige opening naar de katholieke kiezers en stuurt als groot bewonderaar van William Beveridge de partij in de richting van een sociaal progressiever programma. Voor een reële doorbraak is het echter wachten op de man uit Diest.

1961-1971: PVV/PLP

De ondertekening van het Schoolpact door christendemocraten, socialisten en liberalen maakt in 1958 een einde aan een van de belangrijkste en langstdurende politieke conflicten. Kort daarna komt België voor een aantal ingrijpende gebeurtenissen te staan. Het land wordt geconfronteerd met de abrupte onafhankelijkheid van Kongo in 1960, de volkstelling van 1960 die de communautaire tegenstelling op scherp zet en de socio-economische omwenteling, gesymboliseerd door de Eenheidswet in 1961. De regering valt en Motz gaat de kiescampagne in met de opening naar de katholieke kiezers met de beroemde affiche met als slogan “In eer en geweten, ook u kunt liberaal stemmen”.

Prominenten van de Liberale Partij op een banket, jaren 1930. Met oa. Arthur Vanderpoorten (5de van links), Victor De Laveleye (7de van links), Julius Hoste jr. (6de van rechts) en Maurits Sabbe (3de van rechts).

In oktober 1961 kiest de Liberale Partij een nieuwe voorzitter. Roger Motz wordt opgevolgd door de Diesterse ondernemer en oud-minister Omer Vanoudenhove. Deze zorgt voor de grootste vernieuwingsoperatie tot dan. De oprichting van de Partij voor Vrijheid en Vooruitgang of PVV, die met een geactualiseerd en sterk vernieuwd partijprogramma naar de kiezer trekt, schudt het politieke landschap door elkaar. De partij opent definitief haar grenzen voor de katholieken en verschillende CVP-politici maken de overstap. De verkiezingen van 1965 worden een ware triomf voor de jonge unitaire PVV. In de daaropvolgende jaren krijgt Vanaudenhove het echter moeilijk en de motor van de vernieuwing sputtert. De lancering van de PVV als grote, en naar men hoopt binnenkort grootste, volkspartij via operatie Levende Democratie in 1970 kan de meubelen niet meer redden. Vanaudenhove verdwijnt en laat een vernieuwde partij achter, die op een communautair breekpunt afstevent.

1971-1979: regionale profilering

In Vlaanderen neemt een triumviraat het initiatief. Willy De Clercq, Frans Grootjans en Herman Vanderpoorten zetten de Vlaamse PVV op de sporen en nemen afstand van het unitaire verleden. Op twee congressen in mei 1972 kiezen de kopstukken radicaal voor een modern sociaal liberalisme, voor een progressief ethisch reveil zonder heilige huisjes, en voor een brede humanistische visie. Aan Franstalige kant verloopt de profilering een stuk moeilijker. De Brusselse PLP valt in kibbelende fracties uiteen en komt in aanvaring met de Waalse PLP, vanaf 1972 de Parti de la Liberté et du Progrès Wallon (PLPW), die onder leiding van Edgard Jeunehomme voorzichtig een eigen liberale koers wil varen. Die krijgt pas echt vorm in 1976 wanneer de PLPW en het Rassemblement Wallon (RW) samen de Parti pour le Réformes et la Liberté de la Wallonie (PRLW) oprichten, maar ook dit is niet het einde van de hervorming aan Franstalige kant. Pas in 1979 wordt deze vernieuwing afgerond met de overgang van PRLW naar PRL of Parti Réformateur Libéral. De grote dirigent van deze operatie is Jean Gol, net als zijn kompaan François Périn oorspronkelijk een verruimer afkomstig uit het RW en in één beweging ook de grondlegger van de moderne Franstalige liberale partij.

1980-heden: eigen koers

De Franstalige liberalen blijven onder Jean Gol en Louis Michel herbronnen en zoeken naar verruiming, in heel belangrijke mate gestimuleerd door hun objectief om de PS als traditioneel grootste partij in het zuiden van de troon te stoten. Die uitbreiding komt er in maart 2002. De PRL gaat een verbond aan met het Brusselse Front Démocratique des Francophones (FDF) van Olivier Maingain, de Mouvement des Citoyens pour le Changement (MCC) die zich onder leiding van Gérard Deprez had afgescheurd van de Parti Social Chrétien (PSC) en de Duitstalige zusterpartij Partei für Freiheit und Fortschritt (PFF). Dit leidt aanvankelijk tot meer succes bij de verkiezingen (in 2007 is de MR voor het eerst groter dan de PS), maar na de staatshervorming van 2011 haakt het FDF af, waardoor drie Kamerzetels verloren gaan. De MR zet echter door en slaagt er in 2014 in om met Charles Michel de eerste naoorlogse Franstalige liberale premier te leveren.

De Nederlandstalige PVV gaat op zoek naar de invulling van het ideeëngoed van zijn drie stichters en zet een eerste grote stap met de congressen van Kortrijk van 1979 en 1980. Het Radicaal Manifest van jongerenvoorzitter Guy Verhofstadt wordt er de hoeksteen van de nieuwe (neo-)liberale ideologie die in 1981 wordt bekroond met een klinkende verkiezingsoverwinning. Verhofstadt zet zijn vernieuwingsoperatie door wat resulteert in de opvolger van de PVV in 1992. De Vlaamse Liberalen en Democraten (VLD), onderbouwd met de Burgermanifesten van zijn stichter, kiest duidelijk voor een volgende grote stap in de modernisering en vervlaamsing van de partij. Op Vlaams niveau speelt de compagnon de route van Verhofstadt, Patrick Dewael, de rol van leidende vernieuwer. Ook hier gaat het niet zonder slag of stoot. De nieuwe formatie lokt weliswaar een reeks zwaargewichten uit de voormalige Volksunie, maar komt vooral aan de rechterzijde in aanvaring met zowel verruimers (zoals Hugo Coveliers en Jean-Marie Dedecker) als oude getrouwen (zoals Ward Beysen, Boudewijn Bouckaert en Leo Govaerts), die ofwel uit de partij verdwijnen ofwel later opnieuw worden opgevist. Aan de linkerzijde wordt in 2004 met Vivant van ondernemer Roland Duchâtelet een kartel gevormd, dat in 2007 wordt omgezet in een samensmelting onder de huidige partijnaam Open Vld.

Bart D'hondt, Liberas, 2021.

Bronnen, noten en/of referenties

Andrée Despy-Meyer, ‘België ten tijde van Frère-Orban’, themanummer van het Tijdschrift van het Gemeentekrediet, nr.195, 1996.

Pascal Delwit, Du parti libéral au MR. 170 ans de libéralisme en Belgique (Brussel: Editions de l’ULB, 2017).

Bart D’hondt, Gelijke rechten, gelijke plichten. Een portret van vijf liberale vrouwen (Gent: Vroiuw & Vrijheid/Liberaal Archief, 1996).

Gita Deneckere, 1900. België op het breukvlak van twee eeuwen (Tielt: Lannoo, 2006).

Théo Luykx en Marc Platel, Politieke geschiedenis van België (Antwerpen: Kluwer, 2dl., 1985).

Walter Prevenier, Vijfentwintig jaar Vlaamse liberalen (Brussel: VLD, 1997).

Walter Prevenier, Clair Ysebaert en Luc Pareyn (red.), Vijftig jaar liberale praxis. Willy De Clercq vijfenzeventig jaar (Gent: Liberaal Vlaams Verbond en Liberaal Archief, 2002). 

Suzanne Vanaudenhove en Luc Pareyn (red.), Omer Vanaudenhove, een bruggenbouwer (Gent: Liberaal Archief, 1996).

Boudewijn Vanpeteghem & Olivier Mouton, Numero uno. Guy Verhofstadts weg naar de top (Tielt: Lannoo, 2003).

Adriaan Verhulst (e.a.), De liberalen van 1846 tot 1996 (Brussel: Paul Hymanscentrum, 1996).

Els Witte, De constructie van België 1828-1847 (Tielt: Lannoo Campus, 2006).

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11

Hoe verwijs je naar dit artikel?

Bart D'hondt, "Founding fathers", Liberas Stories, laatst gewijzigd 09/06/2021.
copy url

Colofon

Liberas Stories is een realisatie van cultuurarchief Liberas. Het werd ontwikkeld door Josworld en Webdoos naar een concept van Ruben Mantels. Aan de hand van een ‘Atlas’ en een ‘Magazine’ vertelt Liberas Stories de geschiedenis van het liberalisme en worden de collecties van Liberas gepresenteerd. Deze website werd gelanceerd in juni 2021 en is sindsdien verder uitgebouwd.

De inhoud van dit portaal is bestemd voor Liberas’ erfgoedgemeenschap, maar ook voor studenten, onderzoekers en journalisten en voor iedereen die ons erfgoed wil ontdekken. Het is geen catalogus van onze collectie: die vind je op liberas.eu.

Alle teksten op deze website mogen hergebruikt worden mits het overnemen van de auteurs- en bronvermelding. Alle opmerkingen met betrekking tot Liberas Stories - vragen, aanvullingen, correcties, suggesties voor nieuwe bijdragen - zijn welkom op info@liberas.eu. 

Volg ons op